Opinie

    • Frits Abrahams

Slow down, brother

Op het liedje Slow Down van Douwe Bob zijn de afgelopen dagen al meer tekstexegese en compositorische analyse losgelaten dan op menige song van de wereldberoemde Ouwe Bob, maar mijn eerste indruk wil er maar niet van veranderen: braaf deuntje, niets minder, maar vooral niets meer.

Natuurlijk kun je er het Eurovisie Songfestival mee winnen, maar dat kun je in beginsel met elk liedje, want kwaliteit is in die kringen niet de belangrijkste maatstaf. Integendeel – je kunt het zelfs winnen als je belangrijkste muzikale verdienste een aangeplakte baard is.

Daarom krijgt de overweldigende aandacht voor zo’n simpel liedje iets potsierlijks. De enige reden waarom het serieus wordt genomen, is dat het de officiële Nederlandse inzending voor het Eurovisie Songfestival is. Als Marianne Weber het samen met Frans Bauer op haar nieuwe cd had gezet, zou misschien hun uitspraak van het Engels de aandacht hebben getrokken – verder zou er niemand naar hebben omgekeken.

In het geval van Douwe Bob wordt er in recensies gewag gemaakt van „heerlijk relaxt midtempo”, „een warmhoudende hoeveelheid mooie laagjes” en „de korte hik-stilte” die volgt op de „bescheiden sterrol voor een slidegitaar”. En dat terwijl Douwe Bob niets anders heeft gedaan dan alle clichés van het traditionele countryrockliedje keurig op een rijtje zetten. Alles wat in dit liedje zit, hebben we al miljoenen keren eerder gehoord – elk loopje, elke wending, elke ‘hik-stilte’, hoe ‘warmhoudend’ ook.

Zit de kwaliteit van Slow Down dan misschien in de tekst? Volgens Douwe Bob zelf moeten we zijn lied als een protestsong opvatten. Bij dat begrip moet ik meteen denken aan de opstandige songs waarmee de Ouwe Bob zijn weg naar de eeuwige roem plaveide. Want wat zong de Ouwe Bob ook weer toen hij nog de Jonge Bob was, dus zo oud als onze Jonge Bob nú?

Hij zong toen songs als The Times They Are a-Changing, A Hard Rain’s a-gonna Fall, Masters of War, Blowin’ in the Wind en Chimes of Freedom – alleen al de titels spreken boekdelen. En in With God on Our Side zong hij bitter: „In the nineteen-sixties came the Vietnam War/ Can somebody tell me what we’re fightin’ for?/ So many young men died/ So many mothers cried/ Now I ask the question/ Was God on our side?”

De protestsong van Douwe Bob is meer persoonlijk getint, begrijp ik uit Trouw. „Het is een aanklacht tegen de prestatiemaatschappij waarin we leven. Hij kende wel vijf twintigers in zijn omgeving met een burn-out. Daarmee maakt hij het nummer persoonlijk, en dat is goed voor het verhaal.”

Minder goed voor het verhaal is dat er in Slow Down zo weinig verhaal zit. In het begin zingt hij: „I’m going nowhere and I’m going nowhere fast/ I should find a place to go and rest”. Hij wil dus een rustplekje vinden, maar waarom eigenlijk, want hij gaat al nergens heen? Dan vraagt hij aan een zekere ‘mister’ of die hem wil helpen. Die man zingt dan dat eindeloos herhaalde refrein: „You’ve gotta slow down brother/ Slow down brother/ Slow down if you can’t go on.

En dat kan ik maar niet begrijpen. Want waarom zou je tegen iemand die al de godganse dag op zijn luie kont zit, zeggen: „Kalm aan, broer”?

Een liedje met een uitgekauwd deuntje en een slechte tekst – ik begin steeds meer te geloven dat Douwe Bob dat Eurovisie Songfestival gaat winnen.

    • Frits Abrahams