Pompend koper in vrolijke fanfares

Orchestre International du Vetex Foto Stephan Vanfleteren

Wie cross-overmuziek maakt, doet er goed aan de twee (of meer) kruisende culturen ook echt in één band te verenigen. Dus toen het Belgische Orchestre International du Vetex, vooral vermaard om Balkan-brass, na een Zuid-Amerikaanse tour geïnspireerd raakte voor het nieuwe album Fifavela, waren de achttien bandleden nog niet genoeg. Het orkest vroeg er gastmuzikanten bij, onder wie twee Latin-percussionisten.

De uitkomst is een album vol pompend koper, met de sfeer van een vrolijke parade. Soms met de linkervoet hangend in de Oost-Europese blaascultuur, dan weer terughoppend in de samba en cumbia van Zuid-Amerika. En op Good Bye Maputo en Good Evening Kinshasa doen de Belgen ook nog even het Afrikaanse continent aan.

Speciale aandacht verdient de titeltrack Fifavela WM’14 waarin het orkest terugblikt op het WK voetbal in Brazilië. De Rode Duivels verloren in de kwartfinale nipt van Argentinië. De spanning, vreugde en teleurstelling zijn verpakt in drie minuutjes dansbare fanfare. Op de brommende baslijn van de sousafoon klinkt zelfs verliezen feestelijk.

Cross-over krijgt een heel andere vorm bij het Nederlandse Mala Vita. Ook die band verdiende eerder zijn sporen in de Balkanmuziek, maar leunt nu veel meer naar Midden-Amerika.

Mala Vita werd opgericht in de krakersscene. De kern bestaat uit een Nederlandse Italiaan, een Nederlandse Serviër en een Nederlandse Bosniër, of andersom. Voor So Far So Good sloot drummer Michel Schoots (Urban Dance Squad) zich bij hen aan en riepen ze bovendien de hulp in van producer Mario Caldato Jr. (Beastie Boys, Jack Johnson). De hoge verwachtingen die dat schept worden niet geheel ingelost. Misschien doet El Camino het nog wel goed op de radio, maar een punkachtig bandje als Mala Vita mag er best wat meer power in gooien.

Twintig jaar geleden maakte de Amsterdam Klezmer Band (AKB) een cross-over tussen Amsterdam en klezmer. Oyoyoy is dus een jubileumalbum van saxofonist/rapper Job Chajes en de zijnen, maar het is een stroef plaatje geworden.

AKB verenigt kruisende culturen in de band, maar het wringt bij de rap. Toespelingen op het Amsterdamse straatleven en het woelige muzikantenbestaan klinken niet alleen wat achterhaald, maar komen ook niet erg geloofwaardig over. Het is meer een verhaal voor het theater, waar de band de laatste jaren ook veel tijd doorbrengt. Gelukkig is het een dubbelalbum. De acht remixen waarin de tekst een minder prominente rol speelt, slepen de AKB naar hun derde decennium.