Poëzie Pessoa als klankvelden

Componist Jan van de Putte (1959) werkte tien jaar aan zijn vierdelige cyclus op poëzie van Fernando Pessoa, geschreven voor Asko|Schönberg. Drie van die werken gingen afzonderlijk al in première. In de NTR ZaterdagMatinee zou de cyclus voor het eerst integraal te horen zijn, inclusief het splinternieuwe derde deel, Insónia.

Het liep anders. Wegens ziekte van een sopraan was openingswerk Uma só divina linha geschrapt en bleef volledig zicht op Van de Puttes Pessoa-cyclus alsnog uit. Jammer, juist omdat de vier werken grote onderlinge samenhang vertonen. Voor de pauze klonken nu delen 2 (Addiamento) en 4 (Bamboleamos no mundo), na de pauze werd Insónia ten doop gehouden.

Insónia begon met een truc die Mauricio Kagel in herinnering riep, de meester van het vervreemdende muziektheater: terwijl het publiek de zaal weer in druppelde, was dirigent Reinbert de Leeuw alvast begonnen. Zo werd het geroezemoes onderdeel van een knisperend klanktapijt dat geleidelijk aan op de voorgrond trad. Tegen de tijd dat iedereen het in de gaten had was de muziek al ruim vijf minuten bezig.

Pessoa’s zwaarmoedige, lichtvoetige meditaties over het bestaan klonken bij Van de Putte in een reeks klankvelden met een zinnelijke kwaliteit die op magische wijze van karakter veranderen: dreigend, sprookjesachtig, melancholisch. Resonerende toonladders maakten zich eruit los, flarden van melodieën. Veelvuldig werden extremen opgezocht: ijselijk hoge noten, oorverdovende tromslagen, dissonanten waar je oren van tuitten, maar ook breekbare fluisteringen.

Hoewel stasis de basis was, met rauw laag en tintelend hoog, hield Van de Putte de aandacht ruim twee uur vast. Het innerlijk leven van de klankvelden was fascinerend; de manier waarop hij ze aaneenlaste en van ritmisch reliëf voorzag consequent én verrassend. Soms bevroor al het materiaal in een collectieve eruptie van stuiterende ritmiek. Zangers en musici leverden knappe prestaties.

Verschillende keren bouwde Van de Putte een ogenschijnlijke slotclausule uit tot een heel nieuw segment. Het mooist gebeurde dat aan het eind van Bamboleamos no mundo. De zangeressen spuwden ombeurten het woord tonto (‘gek’, ‘duizelig’) uit, tegen een wegstervende begeleiding. Maar in plaats van te eindigen, bloeide de muziek op in een intense coda van zwermende en keffende geluiden.

    • Joep Stapel