Column

Kom je aan de kunstenaar, dan gaat je kop eraf

De Vlaamse theaterprogrammeur Frie Leysen is een onvermoeibaar missionaris voor de podiumkunsten, en in die zin valt zij uitsluitend te bewieroken. Niet voor niets kreeg ze voor haar levenslange inspanningen in 2014 de Erasmusprijs. Ze was toen net gestopt als programmeur bij de Wiener Festwochen, waarvan ze had ontdekt dat het een uiterst conservatief, bourgeois bolwerk was. Zij miste avontuur, vernieuwing, jonge kunstenaars, en maakte een statement. Ze stopte en hing haar kritiek aan de grote klok. Leysen spreekt zich graag en vurig uit tegen het establishment en voor de kunstenaar. Waarvoor ondubbelzinnig hulde.

Recentelijk maakte ze zich opnieuw boos, in een ingezonden brief in de Vlaamse krant De Standaard. Ze reageert daarin op de Vlaamse ‘preadviezen’ voor de meerjarige kunstsubsidies. Leysen is, schrijft ze met gevoel voor drama, ‘compleet uit het lood geslagen’, door de beoordelingscommissie, die de aanvragen van choreografen Anne Teresa De Keersmaeker, Meg Stuart en Wim Vandekeybus beoordeelt met een ‘voldoende’. „Beschamend en arrogant”, vindt Leysen het. Bijval alom natuurlijk op sociale media. Kom aan de kunstenaar, en je kop gaat eraf. Zie Daan Roosegaarde.

Maar dit vraagt om weerwoord. Om te beginnen, zo staat helder te lezen op de site, doet de beoordeling ‘enkel een uitspraak over de kwaliteit van de aanvraag’. De kwaliteit van de aanvraag dus, niet van het werk. Het eindoordeel is gebaseerd op negen inhoudelijke en zakelijke criteria. Vervolgens schrijft de commissie: ‘Belangrijk hierbij is te beseffen dat de kwaliteit van het voorbije artistieke parcours slechts één van de criteria is’. Heeft Leysen dat überhaupt gelezen? Het systeem van subsidieverstrekking, in Vlaanderen én Nederland, is zacht gezegd verre van volmaakt. Maar wie publiekelijk zo fel kritiek levert zou dat op z’n minst gefundeerd moeten doen. Zo zonder feitenkennis om je heen meppen is gemakzuchtig. Je zou bijna zeggen: beschamend en arrogant.

Los van dit gemis aan feitelijke fundering, ben ik het oneens met de premisse van haar brief: dat de artistieke kwaliteit van genoemde kunstenaars onbetwistbaar zou zijn. Op basis van hun grote artistieke prestaties in het verleden acht Leysen het ondenkbaar dat zij nu ‘slechts’ een voldoende krijgen. Maar dat is onzin. Kunst is grillig, de kwaliteit varieert, glorietijden volgen op impasses en vice versa. Zelfs de definitie van ‘kwaliteit’ is fluïde.

Daar moet altijd een open gesprek over mogelijk zijn. Zijn genoemde kunstenaars boven elke discussie verheven? Natuurlijk niet. Taboes, dogma’s en gestolde waarden in de kunst, dat is nou juist waar Leysen zich na ‘Wenen’ zo vurig tegen verzette. Want zij weet heel goed: juist die zijn dodelijk voor een levendig kunstklimaat.