Drents troubadour

(45) zingt en schrijft het liefst in het Drents. Van de singer-songwriter is een nieuw album verschenen, Aosem. „Ik vind het doodzonde dat streektaal uitsterft.”

Foto Hollandse Hoogte

Tijdens een roadtrip door Amerika arriveerde singer-songwriter Daniël Lohues, na een rit van zo’n acht uur in zijn eentje, in Albuquerque. Hij dronk wat aan de hotelbar. Een Amerikaanse hotelgast vroeg wat de zanger zoal deed. Nummers schrijven en rondrijden, antwoordde Lohues. Hij had net een jaar of tien getoerd en deed nu een jaartje niets. „Eigenlijk kom ik even op adem.” Awesome, klonk het daarop. „Toen dacht ik: ‘Oké, die is klaar’”, zegt Daniël Lohues. Van awesome ben je zo weer bij asem en het Drentse aosem.

Aosem dus, de titel van het nieuwe album van de 45-jarige zanger, componist en producer uit het Drentse dorp Erica. Op de zwart-witte hoesfoto liggen zijn in Dr. Martens gestoken voeten op een bankje. Ernaast een gitaarkoffer. Een vintage sfeerbeeld van hoe de zanger op adem komt in een anonieme Amerikaanse hotelkamer. Dat doet hij minstens twee keer per jaar. „Vanaf 1996 ga ik regelmatig. Een kant van mij voelt zich er heel erg thuis en ik moet mijn beeld van dat land steeds weer bijstellen. Van de boeren in de Midwest tot de blues in Louisiana. Maar ook het rijden. Het eindeloze rijden in het noordwesten.”

Dit is alweer het negende soloalbum voor Daniël Lohues, sinds hij in 2004 met de band Skik stopte. Het is een mooie verzameling langzaam meanderende emoties. Van gedachten die opborrelen zonder urgentie („’t Blef knooien”) naar schijnbaar eenvoudige, terloopse observaties. Van kleine dingen véél maken, noemt hij dat. Zo is er een liedje over Appels. Geraakt door de journaalbeelden van gekruisigde Syrische kinderen, liep Lohues op een zomerdag in 2014 zijn tuin in. „Ik moest er bijna van overgeven, zo ontdaan was ik. Mijn oog viel op de kleine appeltjes aan mijn bomen. En toen kwam dat liedje. Een eenvoudige positieve gedachte bij alle narigheid. Er komen best veel appels aan, zei mijn opa altijd. Dat is hoopvol, toch?”

Oog houden voor het positieve wil Lohues. Want somber kan hij worden in zijn nummers. Het gevoelsleven kan broos zijn. Een liedje als baken? Ja, dat vindt de liedjesschrijver een mooie suggestie. „Houvast is het ja. Voor mij, maar ook voor anderen. Mensen sturen me wel eens een mail over hoeveel teksten betekenen. Dat een tekst helpt, leek me eerst een grap. Een mooie kant van de hele liedjesschrijverij.”

Orgelles in zijn hoofd

De muziek valt hem „de hele tijd” in. En soms zoekt hij bewust in het hoofd, als hij onrustig is. Net als op de lagere school, herinnert hij zich. „Als het me in de klas niet interesseerde ging ik rustig mijn orgellessen zitten doornemen in mijn hoofd. Zo ontwikkelde ik al vroeg een systeem in de kop waarbij ik iets voorbij liet komen, iets veranderde, even terugspoelde en weer afdraaide. Ik kan goed onthouden en dat later klinkend maken.” Zijn muziekideeën zet hij nooit op papier. „Als je de melodie weer verliest, was het niet goed genoeg.” Dat geldt ook voor zijn werk als producent voor anderen. „Of ergens een tamboerijntje moet, moet je horen, dat moet je niet van papier aflezen.”

Prominent op Aosem: zijn vele gitaren, akoestisch vaak, in bluesy folk- en countrycomposities. Maar ook een pianoballade, en strijkers in twee liedjes. Een paar liedjes nam Lohues in zijn eentje op, hijzelf op alle instrumenten – drums, bas, gitaar. „Tot er wat er in het hoofd zat op de band staat.” Jarenlang heeft hij dagelijks thuis met een viersporenrecorder zitten opnemen. „Dat wil ik nog eens een hele plaat doen. Dat lijkt me heel bevrijdend. Dan mag het alle kanten op gaan.”

Op Fietse

Daniël Lohues brak in de jaren negentig door met zijn popband Skik. Met twee jeugdvrienden bracht hij pop, folk en blues met Drentse teksten vol humor en een opvallend relativeringsvermogen. In 1997 had Skik zijn grote hit Op Fietse. ’t Giet zoals ’t Giet volgde. Na Skik kwam Lohues & the Louisiana Blues Club. In de vierdelige soloalbumserie Allennig (Alleen) zong hij solo in zijn vertrouwde Ericaas. Ook ging Lohues veelvuldig produceren en meeschrijven aan albums van artiesten als Herman van Veen, Herman Finkers, Rob de Nijs, Henny Vrienten en The Common Linnets.

„Ik heb altijd carte blanche gehad. Geen producer zei me ooit hoe ik het moest doen. Ook niet in de Skik-tijd. Natuurlijk werd er wel een hit verlangd. En of het dan niet een beetje zó moest klinken. Maar geen haar op mijn hoofd die zo wil werken. Bovendien, als ik had geluisterd was de hit Op Fietse er nooit geweest. Een hit nastreven lijkt me sowieso niet goed. Een goede song, daar ben ik op uit.”

Opeens, póéf, was zij daar

Eigenlijk, zegt Lohues, had hij afscheid genomen van de liefde. Jongen plus meisje – daar kwam naar zijn idee eigenlijk alleen verdriet van. En, stelde hij vast na weer een stukgelopen liefde, het hoeft misschien ook niet per se. „Ik dacht: misschien ben ik wel een soort kloosterling met de muziek als god. Een afgezonderd sololeven beviel mij goed. En toen opeens: póéf, daar was zij.” Verliefd. En zo kwam het op de plaat, want het werd nog een grappig liedje ook, grinnikt hij. Met zinnetjes over zijn gedoemde sololeven: Ik was an ’t zeilen op ’n donker meer. Zunder sterren, zunder wind en alles ongeveer. En dan de opgewekte vaststelling: En toen kwam jij, opiens bij mij. Mét handklapjes.

Juist zijn eerlijkheid in songs maakt ze sterker, denkt hij. Bewust noemt hij ze overigens songs. Een lied is wat anders. Dat is plechtiger, klassieker. Maar die eerlijkheid dus, vervolgt hij, dat moet. Het allemaal direct benoemen dan weer niet. „Juist in de taal die ik gebruik uit het Nedersaksische taalgebied is de manier van zeggen niet rechtstreeks. We draaien er een beetje omheen. Kijk hoe Willem Wilmink zich in zijn gedichten uitdrukte op Nedersaksische wijze: erlangs. Daardoor werd het poëzie. Ogenschijnlijk eenvoudig, maar onwaarschijnlijk mooi.”

Lohues zelf houdt vast aan zijn Drents. Al zal er heus nog wel eens een cd in het Hollands komen. Zijn columns schrijft hij in het Hollands. „Maar daar stop ik expres wat regionalisme in. Ik vind het doodzonde dat streektaal uitsterft.” Zijn boekenkast bevat dan ook overvloedig veel Nedersaksische woordenboeken. Hij maakte een liedje over het woordje slof, „zo’n fantastisch lokaal woord”. „Van Noord-Groningen tot Zuid-Achterhoek is ‘slof’ nog zo gangbaar, maar om het uit te leggen zijn tal van Nederlandse zinnen nodig. Zo kan papier slof zijn, een beetje vochtig. Een slaapzak. Een natte lucifer is slof. Maar ook koekjes zijn slof: oudbakken.”

Enerzijds houdt hij zich aan de spelling, anderzijds permitteert hij zich vrijheden. „Zoals bij het woord geven, dat bij mij ‘geben’ wordt. Leven is ‘leben’. Dat is plagerig, echt mijn spreektaal.” Het gaat hem meer om de klank. „Het Angelsaksisch is Engels, de traditionele klank van de popmuziek. In het Nedersaksisch zitten veel klanken die daarop lijken. ‘Moet je zieeeen’. Net als het Engelse ‘seeen’. In het Hollands is het korter. Misschien is dat wel ‘soooooo’. Dat klinkt veel fijner.”

Middeleeuwse troubadour

De zanger trekt nu weer met zijn gitaar langs de theaters met een programma tussen popmuziek en kleinkunst. Lohues brengt ogenschijnlijk losjes persoonlijke bespiegelingen die de nummers kleuren. „Als een middeleeuwse troubadour breng ik wat ik schreef aan de keukentafel.” Zingend en verhalend zonder band, hij doet dat nu tien jaar. Afgelopen seizoen sloeg hij over. Meteen bekroop hem een vorm van podiumangst. „Ik kon het me even niet meer voorstellen. Maar na één nummer wist ik het weer. Gek, hoe het voor een zaal met honderden mensen toch weer snel gewoon voelt. Dat is toch best raar? Terwijl ik verjaardagsfeestjes gewoonlijk mijd. God, zo’n kring, wie geef je een hand enzo.” Zijn gevoel als buitenstaander bezingt hij in Let mar niet op mij, een van de mooiste, iets donkere liedjes op Aosem.

Nadrukkelijk kiest Lohues de afzondering, in de bossen van Erica. Het on the road-zijn staat er haaks op, maar ook dat voelt als ontspanning. Nee, zegt hij, de eenzaamheid bevliegt hem nooit. „Iedereen vraagt mij dat. Ik heb nu een paar bands gehad en dat was het toppunt van leuk. Ik heb jaren alleen geleefd. Dat past mij. En nu heb ik voor het eerst van mijn leven een rijbewijs, ik rijd nu zelf naar optredens toe. Dat is een grote verandering.

„Als je van het podium komt stik je van de adrenaline, dat rijden gaat lekker daarna. Ik heb nu zo’n tien shows in de buurt gedaan, hoogstens een uur rijden. Ik kom aan als Chuck Berry. Gitaren, mondharmonica, plectrum op hun plek. Optreden. Zweet van de kop, handje geven en gaan.”