Doe toch niet zo zuur over dat referendum

De talloze argumenten tegen het referendum houden geen steek, betogen Niesco Dubbelboer en Arjen Nijeboer.

Illustratie angel boligan, bewerking NRC.

De afgelopen tijd passeerden een heleboel argumenten tegen het referendum de revue. Zo zou het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne te complex zijn voor de meeste burgers. Op 6 april stemt Nederland in een referendum over dat verdrag.

Nu roepen tegenstanders altijd dat een referendum te complex is – over welk onderwerp dan ook. Ook roepen ze dat burgers de ter stemming gebrachte voorstellen meestal niet hebben gelezen. Diezelfde tegenstanders laten weg dat politici dat meestal ook niet doen. Een boegbeeld in de huidige ja-campagne, Alexander Pechtold, heeft het Oekraïne-verdrag ook niet gelezen. Dat is logisch. Politici gebruiken net als burgers information shortcuts: ze varen op het oordeel van (fractie)specialisten en halen hun informatie uit de media en andere secundaire bronnen. Politici beoordelen de verdragen op hoofdzaken. Precies hetzelfde geldt voor de meeste burgers. Zo’n keuze is geen wiskunde, maar een politieke keuze die wortelt in ideeën en gevoelens over wat reëel, gewenst en rechtvaardig is. Op dat vlak zijn gewone mensen net politici.

Ook, zeggen de tegenstanders, treedt er ‘linking’ op bij referenda. Daardoor zouden die referenda over veel meer gaan dan het eigenlijke onderwerp. In werkelijkheid vindt linking juist bij uitstek plaats in het vertegenwoordigende politieke systeem. Bij verkiezingen immers, buitelen allerlei standpunten over talloze onderwerpen over elkaar heen. Verkiezingsdebatten springen van de hak op de tak. Op verkiezingsdag ten slotte, mogen burgers één hokje rood kleuren waarmee hun keus voor vier jaar vast ligt.

Bij een referendum daarentegen is in principe een veel zakelijker debat mogelijk, juist omdat één onderwerp centraal staat. In het referendumland bij uitstek, Zwitserland, is linking bij referenda een onbekend verschijnsel; daar immers kunnen burgers steeds bindende referenda aanvragen over alle mogelijke onderwerpen. Ook kunnen ze altijd eigen voorstellen aan een referendum onderwerpen via het volksinitiatief. Wie zich zorgen maakt over linking, moet de burgers dus meer directe democratie bieden in plaats van minder.

Critici stellen verder dat bij een referendum een kleine minderheid beslist, omdat 51 procent van 30 procent van de kiezers (de opkomstdrempel die momenteel geldt) al de doorslag kan geven. Maar in ons vertegenwoordigend bestel kan één enkele persoon al de doorslag geven, want slechts de 225 leden van de Tweede en Eerste Kamer beslissen. In werkelijkheid is het nog extremer, want de fractiediscipline schrijft voor dat een handjevol partijleiders en hun getrouwen beslissen. Weblog Sargasso onderzocht die fractiediscipline in de Tweede Kamer en kwam op 99,998 procent uit. Dat halen ze in China en Wit Rusland niet.

Daarbij maken critici nooit zulke opmerkingen over verkiezingen met zo’n lage opkomst. Zou de opkomstdrempel van 30 procent in de huidige referendumwet ook voor verkiezingen gelden, dan hadden de Europarlementsverkiezingen van 1999 in Nederland ongeldig verklaard moeten worden. Daar lag de opkomst immers op 29,9 procent. Toch installeerde een kleine minderheid van de kiezers een parlement dat vervolgens vijf jaar carte blanche kreeg om alle beslissingen te nemen – zelfs over onderwerpen die tijdens de verkiezingen niet speelden.

Tot slot is het argument dat het Oekraïnereferendum ervoor zorgt dat Nederland in z’n eentje een verdrag voor heel Europa kan blokkeren, al even onzinnig. Dat is namelijk geen gevolg van het referendum, maar van de structuur van de EU, waar elke lidstaat vetorecht heeft. Zo kan ook het parlement van Malta het Oekraïneverdrag blokkeren, terwijl heel Europa vóór is.

Veel van de kritiek is pijnlijk, omdat argumenten tegen referenda meestal argumenten tegen de democratie als zodanig zijn. Niet voor niets zijn dezelfde stromingen die destijds tegen de introductie van het algemeen kiesrecht waren (liberalen en christen-democraten), nu ook tegen referenda. Daar zijn de progressievelingen bijgekomen, zij spreken zich in de media zuur en sceptisch uit over het referendum van 6 april. Dat heeft vooral te maken met het feit dat het huidige politieke klimaat rechtser en Eurokritischer is dan twintig jaar geleden. Maar dat mag en kan geen reden zijn om een democratisch recht op zeggenschap en invloed beperkt te houden. In die redenering zou men ook tegen algemene verkiezingen moeten zijn, omdat Wilders zulke hoge ogen gooit in de peilingen.

Het eerste kenmerk van een democratie is dat het volk regeert. Dat impliceert directe democratische stemmingen. Als burgers geen directe zeggenschap hebben op onderwerpen en gedwongen zijn om hun democratische rechten eens per vier jaar in één keer uit handen te geven, is er sprake van een onvolmaakte democratie. Een referendum is daarom een fantastisch middel om de democratie echt democratisch te laten zijn. En dat staat los van het onderwerp dat voorligt.