Dirigent nam overbekend werk steeds als nieuw ter hand

Nikolaus Harnoncourt, dirigent (1929-2016)

Oostenrijkse dirigent was pionierend pleitbezorger van oude muziek, maar ook in bredere zin een van de invloedrijkste musici van deze tijd.

Foto Marco Borggreve/Hollandse Hoogte

Zijn laatste cd-opname, van de Symfonieën nrs. 4 en 5 van Beethoven, ligt net in de winkel. Een zeldzaam prachtige uitvoering is het, vol niet eerder gehoorde details. Ziedaar de hand van de Oostenrijkse dirigent Nikolaus Harnoncourt, die ook op zijn 85ste nog in staat was een partituur – overbekend of niet – als nieuw ter hand te nemen, tegen het licht te houden en je de oren te openen.

Harnoncourt, die in december al met een handgeschreven brief afscheid nam van het podium, overleed zaterdag op 86-jarige leeftijd, omringd door familieleden, onder wie echtgenote en violiste Alice.

Met haar richtte hij in 1953 Concentus Musicus Wien op, dat op oude instrumenten speelde. Daarmee sloeg hij de richting in die hem maakte tot wat hij was: de grootste en origineelste pionier van de authentieke uitvoeringspraktijk, en ook in bredere zin een van de meest invloedrijke denkers over en uitvoerenden van muziek. Zijn opvattingen onderscheidden zich door intelligentie en nuance. „‘Authentiek’ bestaat niet. Ik wil Bach niet herhalen, ik wil de boodschap van zijn muziek zo goed mogelijk proberen over te brengen. Naar mijn opvatting zijn oude instrumenten daartoe het meest geëigend. Maar ik ben geen purist, ik haat de term ‘historisch geïnformeerd’. Natuurlijk zorg je ervoor dat je ‘geïnformeerd’ bent!”

Harnoncourt werd op 6 december 1929 als Johann Nicolaus Graf de la Fontaine und d’Harnoncourt-Unverzagt geboren in Berlijn. Dat verraadt zijn afkomst: van vaderszijde verarmde Luxemburgs-Lotharingse adel („Onze schoolboterhammen waren belegd zonder boter, met alleen jam. Zeer onesthetisch vond ik dat, hoe die jam zich zo in het brood zoog”, zegt hij in de biografie Vom Denken des Herzens), van moederszijde verwant aan de Habsburgse aartshertog Johann (1782-1859).

Hij studeerde cello en speelde tussen zijn 23ste en 40ste bij de Wiener Symphoniker, het tweede orkest van de stad. Tegelijkertijd verdiepte hij zich in de historische uitvoeringspraktijk. Met Concentus Musicus Wien realiseerde hij vanaf de jaren vijftig succesvolle concertseries en plaatopnamen. Iconisch werd, later, ook zijn samenwerking met het Chamber Orchestra of Europe. Dat speelt op moderne instrumenten, maar werd door Harnoncourts stijlbewustzijn opgestuwd tot baanbrekende uitvoeringen. Van hun Beethoven-opnames werden een miljoen exemplaren verkocht. Harnoncourt werd onderscheiden met o.a. de Erasmusprijs, de Polar Music Prize en de Siemensprijs.

Nederland speelde een sleutelrol in zijn carrière. Hij debuteerde hier in 1973 bij het Residentie Orkest met Bachs Matthäus-Passion – het werk waarvan zijn opname (1970) internationaal opzien had gebaard. Het Concertgebouworkest nodigde hem toen in 1975 en 1976 uit voor de Johannes én de Matthäus: kleiner bezet dan gebruik was en in dubbelkorige opstelling. Nog tot 1990 bleef hij hier passies dirigeren, van daaruit verbreedde hij zijn repertoire selectief richting twintigste eeuw.

Eerst kwam Mozart, waaronder uitvoeringsreeksen van diens opera’s bij DNO. Later verkende hij ook Schubert en Dvorák, Bruckner, Schumann en Mendelssohn. Gershwin vond hij een onderschat genie, net als Strauss, wiens operette Die Fledermaus (Holland Festival 1987) en walsen hij met meesterhand ontsuikerde. Maar Mahler? Berlioz? Nee, dank, te veel ego.

Volgens Jaap van Zweden, tussen 1979 en 1995 concertmeester van het Concertgebouworkest, waren de repetities onder Harnoncourt vaak zelfs nog interessanter dan de concerten. Hij benaderde musici niet als onderdeeltjes van een dienend symfonisch apparaat, maar als collega’s, met wie je je strategie doorspreekt. Hoe gaan we Bach, Beethoven Schubert of Dvorák benaderen vandaag? Waarom net zo? Bekijk op YouTube eens een repetitie van Harnoncourt in de Vijfde van Beethoven. Na de instructies – „Als een dwerg met zúlke tanden!”; „Als de tien meter wijd opengesperde bek van een krokodil” – hoor je de symfonie nooit meer als abstracte muziek, maar als een verhaal in klank.

Musik als Klangrede heet, niet toevallig, ook Harnoncourts handboek over uitvoeringspraktijk. „Toen ik zelf nog orkestmusicus was, inspireerden me vooral de dirigenten die geïnteresseerd waren in de boodschap van de muziek”, zei hij daarover in 2012 in een interview in deze krant. „Dat waren er zeer weinig. De meesten legden uit wat mooi was, niet wat de muziek vertelde. Zij die daar wel een mening over hadden, werden mijn leraren.”

Harnoncourts discografie is met een conservatieve schatting van driehonderd opnames (anderen tellen er vijfhonderd) groter dan die van enig andere levende musicus. Legendarisch: de Bach-cantates (1971-1989) met Gustav Leonhardt, verrassend fris, ook nu nog. De opera’s van Monteverdi – in de jaren zeventig door Harnoncourt ‘herontdekt’. De Mozarts, omstreden door snelle tempi en felle agogiek.

Veel merkte je tot voor kort niet van de hoge leeftijd die Harnoncourt bereikte. Hij werkte tot eind 2015 door. Voor komende zomer stond nog een Beethoven-cyclus gepland. Tot hij in december bekendmaakte dat hij niet meer zou dirigeren. Toen was duidelijk dat het einde nabij was.