De onderduiker die tekende voor zijn geliefde

Sommige onderduikers schreven liefdesbrieven, E Joëls maakte strips voor zijn verloofde die hij niet kon zien. De geliefden en de strips overleefden de oorlog.

De twee Joodse geliefden woonden nog geen kilometer van elkaar, maar konden elkaar niet ontmoeten. Ze zaten ondergedoken in dezelfde stad, maar ieder in een ander huis.

Ze konden dat huis niet uit, want op straat loerde hun vijand onophoudelijk op de kans om hen op te pakken, te deporteren en te vermoorden. Het was levensgevaarlijk om alleen al de oversteek te wagen over de drukke weg tussen hun onderduikadressen, want daar reden voortdurend de legervoertuigen van de bezetter.

Daarom schreven de geliefden elkaar elke week een brief. In elke brief moest één lichtpuntje staan, hadden ze afgesproken, om de moed erin te houden. De brieven werden in het geheim bezorgd door koeriers, meestal de kinderen van hun onderduikfamilies. Honderden brieven zouden ze zo uitwisselen in de tweeënhalf jaar van hun onderduik.

Op een dag besloot de man, E Joëls (E komt van Emanuel), om een stripverhaal te maken. „Ik ging alleen maar tekenen en schrijven om iets te doen te hebben”, vertelt Joëls (97 jaar), registeraccountant in ruste. Uit dit tijdverdrijf ontstond een getekend feuilleton over de avonturen van een mannetje van ijzerdraad in verre landen.

Elke week stuurde E Joëls samen met de brief een aflevering naar zijn verloofde Hetty van Son, die de eerste lange en smalle pagina’s bewaarde in wc-rollen. Uiteindelijk kwamen er zo drie stripboeken, die na de oorlog werden opgeborgen in een kast. De geliefden trouwden en aan hun bijna zeventig jaar lange huwelijk kwam pas een eind toen Hetty van Son vorig jaar overleed.

Kort ervoor waren bij een verhuizing de stripboeken tevoorschijn gekomen uit de kast. „Ik vond de boeken erg mooi getekend”, zegt dochter Jet Naftaniel-Joëls, zelf beeldend kunstenaar. De strips weerspiegelen in niets de oorlog, erkent zij: „Maar ze zijn wel gemaakt in de onderduik en dat maakt ze tot echte oorlogsdocumenten.”

Dat vindt ook het Joods Historisch Museum, dat de stripboeken vanaf woensdag als nieuwe aanwinst toont.

Hij studeerde, zij werkte bij Metz & Co

De jonge twintigers E Joëls en Hetty van Son hadden elkaar kort voor de oorlog leren kennen in Amsterdam, waar hij studeerde voor accountant en zij werkte bij Metz & Co, de vermaarde winkel voor woninginrichting. „Zij werkte op de afdeling oosterse kunst, waarvan ze een grote kennis had. Vandaar de Japanse netsukes daar”, zegt Joëls. Hij wijst naar de vitrinekast in zijn woonkamer die volstaat met kleine, uit ivoor gesneden, figuurtjes.

De talloze razzia’s maakten Amsterdam echter steeds gevaarlijker en de twee besloten met enkele broers en zussen naar Apeldoorn te gaan. Daar konden ze, dankzij de contacten van vader Van Son, die voorzitter was van de joodse gemeente, gaan werken bij Het Apeldoornsche Bosch. Deze Joodse psychiatrische inrichting kampte met personeelsgebrek, omdat de bezetter niet-Joden had verboden om te werken bij Joodse instellingen.

Hetty van Son werd verpleegster, E Joëls kon al snel aan de slag bij de administratie. In Apeldoorn verloofden de geliefden zich, zegt Joëls: „Ik heb daarvoor nog heel ouderwets mijn schoonvader om haar hand gevraagd.”

Schoonvader Van Son werd januari 1943 getipt dat de bewoners van de inrichting zouden worden gedeporteerd en gaf telefonisch de afgesproken code door: „Voorwaarts mars.” Het pad achter de inrichting heette Voorwaarts en daarover vluchtten Joëls en de familieleden van Van Son. „We waren net op tijd. Door de voordeur zagen we de SS’ers al het terrein op komen.”

E dook onder bij de familie Schurink aan de Auroralaan, Hetty iets verderop bij de familie Vis aan de Morellenlaan. „Met hulp van de ondergrondse, waarin de vrijmetselarij in Apeldoorn een grote rol speelde”, zegt Joëls, zelf ook vrijmetselaar. Hetty had door de omgang met de patiënten tbc gekregen: „Het enige wat je daaraan kon doen was goed eten en dat eten werd gefinancierd door de vrijmetselarij.” Hetty genas.

Bij de Schurinks, een familie met vier kinderen, woonde E met een joods gezin op een afgescheiden deel van de zolder. „Je kon daar alleen komen via een aparte trap, die was verstopt achter een kast in de bijkeuken. E doodde de tijd met lezen, maar verveelde zich vaak. „Elke zondag ging de hele familie Schurink tekenen aan de eettafel en dat bracht me op het idee om dat ook te gaan doen.”

Voor oma, die ook in huis woonde, tekende hij het uitzicht op de tuin, waarvan ze zo hield. E tekende, lijmde en zaagde ook een heel monopoliespel, dat er niet meer is.

Zo begon E ook aan de stripverhalen over Dompie Stompie IJzerdraad, een vindingrijke detective met een zucht naar avontuur. „Mijn inspiratiebron waren de stripboeken die Johan Fabricius maakte voor Calvé-Delft, De wondere avonturen van Arretje Nof ”, vertelt Joëls, die zes jaar was toen deze reclamereeks verscheen. Zijn ‘Arretje’ kreeg een lijf en ledematen van ijzerdraad: „Waarom? Het was in elk geval makkelijk tekenen.”

In het begin kon E nog niet zo goed tekenen, zodat hij bijvoorbeeld de bomen tamelijk schematisch moest weergeven. „Op de HBS had ik technisch tekenen gehad, waardoor ik wel het perspectief beheerste.” Inderdaad zijn de straten, interieurs en gebouwen opvallend goed getekend, en de huizen zijn rijk aan details. „Als kind speelde ik met stenen blokjes en keek dan heel goed hoe echte gebouwen eruitzagen. Dat had ik blijkbaar onthouden.”

E tekende met zwart potlood en kleurde de lijnen later in – het eerste deel met kleurpotlood, de latere delen met ecoline. „De firma Talens zat in Apeldoorn en Schurink kon daar ecoline krijgen.”

Intussen werden zijn tekeningen steeds beter, zegt dochter Jet: „Je ziet echt een ontwikkeling.” E was er elke dag dan ook uren mee bezig.

Ze vond dat hij geen gezichten kon tekenen

Als een aflevering klaar was, las E die eerst voor aan de kinderen van de familie. Daarna bracht een van hen die naar het onderduikadres van Hetty. „Dan had ik weer een week om na te denken hoe het verder moest, want ik had niet vooraf een plot bedacht.” Dat nadenken vond E leuk: „Ik had bijvoorbeeld plezier in het verzinnen van de naam voor jonkheer van Schriel tot Schraal.”

E zou Hetty tijdens de onderduik twee keer vluchtig zien, toen hij voor de veiligheid tijdelijk zijn onderduikadres moest verlaten. Wat zij van zijn strips vond, weet hij eigenlijk niet precies: „Ze heeft een keer gezegd dat ik geen gezichten kon tekenen.” Maar na de oorlog waren zijn tekeningen haar enige bezit en maakte ze er boeken van met een omslag van touwknoopwerk voor het tweede deel.

Dochter Jet: „Mijn vader las de boeken een keer voor aan mijn zusje en mij, maar daar kregen we nachtmerries van. Mijn moeder verbood het voorlezen.”

Zo verdwenen de boeken in de kast. Volgende week komen die er definitief uit als E Joëls het eerste exemplaar van de facsimile-uitgave overhandigt aan Geeske, de jongste dochter uit het onderduikgezin. Joëls: „Dat is een van de vele ongelooflijke dingen die zijn gebeurd, dat geen van de kinderen, hoe klein ze ook waren, ooit iets hebben verteld over de onderduiker in huis.” De onderduiker die stripverhalen maakte.