Sjoemelen politici met asielcijfers? En 62 andere vragen over asielzoekers

Vluchtelingen houden zich op bij tentenkamp Heumensoord, de tijdelijke noodopvang van het COA. Foto Robin Utrecht / ANP

Is het tijd voor een grondige aanpassing van het Vluchtelingenverdrag van de VN? Hoe ziet het dagelijks leven in een azc eruit? Gaan politici sjoemelen met asielcijfers nu ze onder groeiende druk staan om te laten zien dat ze de stroom vluchtelingen onder controle hebben?

Het is een greep uit de vele vragen uit bijna vijftig lezersmails die de NRC-redactie sinds 2 februari ontving. Op die dag publiceerden we een feitenstuk met dertig vragen en antwoorden over asielzoekers, asielcentra en asielbeleid. De redactie nodigde lezers uit hun eigen vragen over het belangrijkste nieuwsonderwerp van het afgelopen half jaar in te sturen.

De respons mocht er zijn. Er kwamen 49 mails binnen die constructief van inhoud en toon waren - zeker gelet op het gepolariseerde debat over het onderwerp. Veel lezers bleken blij met het stuk dat hen overzicht bood in ingewikkelde en veelomvattende materie. Ze stelden veel aanvullende vragen (soms meerdere per mail) die de redactie soms op het spoor zetten van nieuwe onderwerpen. Ook leverden ze kritiek op enkele onderdelen van het eerdere stuk.

De mails resulteerden in 33 nieuwe vragen over asielzoekers, asielcentra en asielbeleid, drie meer dan de vorige editie. Voor de volledigheid zijn ook de dertig vragen uit de eerste editie van dit project in dit stuk opgenomen. De vragen zijn opgedeeld in verschillende deelonderwerpen. Als de vraag afkomstig is van een lezer, staat dat erbij.

De redactie dankt alle lezers die sinds 2 februari reageerden voor hun medewerking. Het emailadres ​vragenoverasiel@nrc.nl​ blijft open voor vragen en opmerkingen. Geef in de mail duidelijk aan of je naam en woonplaats vermeld mogen worden in de krant of op de website.

Inhoudsopgave




A. Feiten en cijfers

1. Hoeveel asielzoekers komen er naar Nederland?
In 2015 deden ongeveer 57.000 mensen een eerste asielaanvraag. Daarvan kwamen bijna 14.000 asielzoekers een familielid achterna in het kader van gezinshereniging. Daarnaast deden ongeveer 2.000 mensen in 2015 een tweede aanvraag, zo blijkt uit cijfers van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Voor heel 2016 variëren de prognoses van het kabinet en ambtenaren van ongeveer 60.000 tot 94.000 vluchtelingen die in Nederland asiel willen aanvragen.

2. Is dat veel vergeleken met andere EU‐landen?
Binnen de Europese Unie is Nederland tot nu toe een middenmoter. Het vangt meer vluchtelingen op dan landen als Slowakije en Polen, maar minder dan Duitsland en Zweden. In Duitsland vroegen in 2015 476.649 mensen asiel aan (2014: 166.800). Voor een land met 80,8 miljoen inwoners komt dat neer op 5.900 asielzoekers per miljoen inwoners. Gemeten naar die maatstaf vangen vooral Zweden (16.980 asielzoekers per miljoen inwoners) en Oostenrijk (10.623), maar ook Noorwegen (6.107) meer asielzoekers op dan Duitsland. Nederland (bijna 17 miljoen inwoners) telt 3.518 asielzoekers per miljoen inwoners. Daarmee loopt het binnen de EU iets voor op Denemarken en België.

Lees ook over de vluchtelingencrisis in Europa: Dit is wat je moet weten om de vluchtelingencrisis te begrijpen

Klik op de kaart voor een interactieve grafiek bij weblog Lucify van de vluchtelingenstroom naar Europa:
Knipsel

3. Is dat veel vergeleken met het verleden?
Wel als het gaat om de stroom die het land binnenkomt. Het totale aantal asielzoekers in 2015 (ongeveer 59.000) is een verdubbeling van het aantal mensen dat zich in 2014 meldde: 29.890. Nooit eerder kwamen er sinds de jaren negentig in een jaar zoveel asielzoekers naar Nederland. Destijds werd de vluchtelingenstroom (52.575 asielzoekers in 1994) vooral gevoed door de oorlogen in het voormalige Joegoslavië en Afghanistan.

Waar het gaat om het aantal mensen dat in azc’s verblijft, waren pieken in het verleden juist hoger. Topjaar qua opvang was 2001, toen er 83.801 mensen in azc’s zaten; het hoogtepunt van een stijgende trend die in 1996 was begonnen. Daarentegen zaten eind januari 2016 ‘slechts’ 47.265 asielzoekers in opvangcentra. Dit laatste aantal zal overigens zeker stijgen gezien de voortgaande asielstroom.

Een ander verschil met de jaren negentig is het tempo waarmee de asielzoekers binnenkomen. Pieken van 1.800 per week in november vorig jaar werden twintig jaar geleden niet gehaald. De asielinstroom ging toen veelal geleidelijker. In januari van dit jaar daalde de instroom naar ongeveer 800 asielzoekers per week. Mogelijk groeit die weer als de lente begint.

020216asiel2

4. Uit welke landen komen de asielzoekers?
Bijna de helft (47 procent) van de vluchtelingen komt uit Syrië, 17 procent uit Eritrea en 6 procent uit Irak. De​ ​laatste cijfers​ (pdf) lieten ook een groeiende instroom uit Albanië en in mindere mate Servië zien. Dit is mogelijk een reactie op Duitse maatregelen om asielzoekers uit de Balkan sneller uit te wijzen. Marokkanen en Tunesiërs die een groeiende groep asielaanvragers in Duitsland vormen, hebben zich volgens de IND (nog) niet in Nederland gemeld. Dat kan veranderen als de Noord‐Afrikanen uit Duitsland worden geweerd.

Opvallend is verder de substantiële groei van het aantal staatlozen zonder paspoort (bijna 5.000 in heel 2015 en daarmee bijna tien procent van het geheel). Familieleden van staatlozen vormden, na Syriërs, in 2015 zelfs de grootste groep mensen die in het kader van gezinshereniging Nederland binnen mocht komen. Staatlozen hebben geen paspoort omdat hun land is opgehouden te bestaan (zoals Joegoslavië in de jaren negentig) of omdat ze als lid van een minderheid in hun land zo hard worden onderdrukt dat ze geen paspoort mogen hebben (in Birma bijvoorbeeld).

Volgens de IND gaat het bij de huidige groep staatlozen vooral om Palestijnse Syriërs die van oudsher minder rechten in Syrië hebben. Vluchtelingen die hun paspoort hebben verloren of weggegooid, proberen soms ook het label staatloos te krijgen om daarmee meer kans te maken op asiel. Bij hen wordt via uitgebreide interviews en dialectanalyses door de IND nagegaan of hun verhaal wel klopt.

5. Welke kenmerken hebben de asielzoekers (leeftijd, opleiding, alleenstaand of gezin)?
De asielzoekers zijn vaak twintigers en matig opgeleid. De verhouding tussen gezinnen en alleenstaanden is ​fifty‐fifty,​ ​aldus het COA​. Dat wil zeggen dat er evenveel alleenstaanden zijn als mensen die tot een gezin behoren. De alleenstaanden zijn merendeels mannen. Volgens​ ​cijfers van het COA​ (per 25‐1‐2016) is veruit de grootste groep 18 tot en met 29 jaar oud (ongeveer 18.000). Daarna komen de groepen in de leeftijd van 30‐39 jaar (ongeveer 10.000) en 12‐17 jaar (rond de 5.000). Er zijn ongeveer 10.000 minderjarige asielzoekers in de centra.

Over het opleidingsniveau meldde COA‐directeur Gerard Bakker vorig jaar​ ​in NRC​ dat ongeveer een derde van de asielzoekers hoogopgeleid is (WO, HBO), een derde middelbaar opgeleid (MBO) en een derde laagopgeleid. In de praktijk blijkt deze driedeling echter moeilijk hanteerbaar.

Onderwijsorganisaties die buitenlanders hulp bieden (zoals Spark)​ ​merken dat de hoger opgeleide asielzoekers​ het vaak moeilijker hebben dan Nederlandse hoger opgeleiden. Velen haalden de taaltest Engels niet of zakten voor de Graduate Management Admission Test (GMAT), voor elementaire wiskundige en analytische vaardigheden.

Lees ook: ‘Vluchtelingen kunnen een verrijking opleveren’, een interview met Gerard Bakker. En over onderwijs aan vluchtelingen: Syrische jongeren zijn niet zo goed opgeleid

6. Wat is de verdeling man /vrouw binnen azc’s en andere opvanglocaties?
Dat vragen Mirjam van Delft uit Amsterdam en Sebastiaan Bakker uit Utrecht. Ze misten dit in de vorige vraag.

Volgens het​ ​COA​ is de verhouding man‐vrouw ongeveer tweederde‐eenderde. Op 22 februari waren er 31.888 mannen en 14.503 vrouwen in de opvang. Totaal waren er op dat moment 46.391 inwoners van azc’s.

7. Hoeveel familieleden van de toegelaten asielzoekers komen over naar Nederland?
Hun aantal is de laatste jaren gestegen en zal dat hoogstwaarschijnlijk blijven doen. Gezinshereniging wordt namelijk bepaald door de ontwikkeling in de vluchtelingenstroom zelf. In 2013 kwamen ongeveer 4.000 over in het kader van gezinshereniging, in 2014 6.000 en in 2015 bijna 14.000 familieleden. Ongeveer de helft daarvan was afkomstig uit Syrië, aldus cijfers van de IND. Voor 2016​ ​verwacht de IND​ 25.600 nareizigers, een (voorlopig) record.

B. De asielprocedure

1. Hoe ziet de asielprocedure er uit?
De asielzoeker meldt zich in een aanmeldcentrum, de bekendste is in Ter Apel. Daar wordt zijn of haar identiteit, nationaliteit en reisroute vastgesteld. Vervolgens gaat de vluchteling naar noodopvanglocaties tot de asielprocedure begint. Dit kan een aantal maanden duren. In de asielprocedure zelf moet de asielzoeker zijn verhaal doen tegenover een IND‐medewerker die bekend is met de situatie in het thuisland. Hij beoordeelt of het verhaal geloofwaardig is en of de asielzoeker recht heeft op een verblijfsvergunning. Zo niet, dan kan de asielzoeker nog in beroep bij de rechtbank en vervolgens de Raad van State. Het streven is de asielzoeker binnen maximaal een half jaar na zijn binnenkomst duidelijkheid te geven. Dat streven wordt niet gehaald.

2. Waarom duurt de procedure zo lang?
​Dat vraagt Diederik Tjeenk Willink uit Wassenaar. Hij vraagt zich af of er sprake is van afschrikking.
Op 8 februari maakte staatssecretaris Klaas Dijkhoff bekend dat de asielprocedure is verlengd van zes maanden naar maximaal vijftien maanden. De verlenging leverde veel protesten onder asielzoekers op, en, onder meer, een demonstratie van inwoners van Heumensoord in Nijmegen. Er zijn vier aanwijsbare redenen voor de verlenging: de snelle groei van het aantal asielzoekers, het werknemersbestand van de IND dat daarmee geen gelijke tred houdt, en verstevigde identificatiemaatregelen (na de aanslagen in Parijs op 13 november 2015) voor binnenkomende vluchtelingen.

Een laatste, recente reden voor Dijkhoff om de maximale termijn te verlengen, is zijn besluit om 'kansarme' asielzoekers voorrang te geven in de asielprocedure. Het gaat om mensen uit veilige landen of asielzoekers die eerder al elders in de Europese Unie een asielaanvraag indienden. Dat mag niet volgens Europese regels. Als deze personen snel worden afgewezen, zullen zij in de opvang ook sneller plaatsmaken voor echte vluchtelingen. Die laatsten moeten daardoor wel langer wachten.

De IND heeft een paar keer aangegeven te streven naar een balans tussen ervaren, reeds lang ingewerkte medewerkers en nieuwe aanwas. Het interpreteren en beoordelen van vluchtverhalen vereist de nodige expertise en ervaring. Eind september​ kondigde​ de IND aan zeven dagen per week te gaan werken. Afschrikking is niet een expliciet doel van de lange asielprocedures, maar mogelijk wel een nuttig neveneffect voor een overheid die zegt het aantal asielzoekers te willen terugdringen. Immers, de lengte van de asielprocedure is een van de factoren die de aantrekkelijkheid van een land voor vluchtelingen bepaalt.

3.Waarom kan men niet in het buitenland een asielaanvraag indienen?
Bijvoorbeeld via internet, zo vraagt onder anderen Diederik Tjeenk Willlink uit Wassenaar.
Het is altijd de bedoeling geweest dat vluchtelingen worden opgevangen in hun eigen regio. Het idee is: een vluchteling reist naar een buurland waar hij of zij asiel mag vragen op grond van het VN Vluchtelingenverdrag. Westerse landen nemen geen asielverzoeken in behandeling van mensen die zich niet op hun grondgebied bevinden. Ze vrezen een aanzuigende werking als men in de regio zelf al een aanvraag kan doen. Miljoenen vluchtelingen die nu in Turkije, Libanon en Jordanië worden opgevangen, zouden dan allemaal asiel kunnen claimen in Europa.

4. Wat zijn de criteria waaraan men moet voldoen voor gezinshereniging?​
Dat wil Aloys Smeets uit Geulle weten.
Gezinshereniging is mogelijk vanaf het moment dat de asielprocedure is afgerond en de vluchteling een (tijdelijke) verblijfsvergunning heeft gekregen. Dat duurt vaak meer dan een jaar. De partner en kinderen van een erkende vluchteling hebben recht op asiel, in het kader van gezinshereniging. Er zijn een paar voorwaarden. De partner om wie het gaat moet minimaal 18 jaar zijn, en de relatie moet al in het land van herkomst zijn begonnen. De Syriër wiens gezin op een veilige plek in Turkije is achtergebleven en die aan deze voorwaarden voldoet, heeft recht op gezinshereniging in Nederland.

Foto Arie Kievit / ANP

De eerste asielzoekers komen aan in vakantiepark Droomgaard waar tijdelijk woonruimte beschikbaar is gesteld. Foto Arie Kievit / ANP

5. Wordt het geen tijd om wetgeving en verdragen op het gebied van immigratie, asiel, naturalisatie en gezinshereniging aan te passen?
Dat schrijft Piet de Geus uit Vledderveen die de wetgeving ,,verouderd" noemt. Ook enkele andere lezers, zoals Thijs Pons uit Groenekan, tonen zich bezorgd over de import van een nieuwe sociale onderklasse als gevolg van het open‐einde karakter van de verdragen.
Dit is een politieke vraag, waarover uiteindelijk parlement en kabinet moeten beslissen. Hoewel met enige regelmaat verdragsverandering wordt bepleit door​ ​CDA​ ​en VVD en de PVV helemaal van het verdrag afwil, komt het daar voorlopig niet van. Met de aanpassingen willen genoemde partijen de instroom beperken en de voorzieningen versoberen. V​olgens CDA­-leider Buma was het

"VN-­Vluchtelingenverdrag bedoeld voor Europese ontheemden die waren gevlucht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nu hebben we te maken met voortdurende chaos aan de Europese buitengrenzen."

Om welke verdragen gaat het? Allereerst om het Vluchtelingenverdrag uit 1951, midden in de Koude Oorlog dus. Het verdrag geeft het recht op asiel voor iedereen die persoonlijke vrees voor vervolging heeft, voor individuen dus. Onder die noemer werden destijds al veel Hongaren en andere gevluchten voor de Sovjet‐repressie opgevangen in West‐Europa. Verreweg de meeste Europese landen ondertekenden dit verdrag. De Europese Unie vertaalde de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag in allerlei EU-wetgeving.

Buiten Europa ging het lang niet altijd zo. De VS bijvoorbeeld hebben niet het Vluchtelingenverdrag ondertekend, wel het protocol. Dat geeft de Amerikanen meer ruimte een eigen beleid te voeren (bijvoorbeeld met quota). Maar ook Australië dat het verdrag tekende, heeft quota.

ddd_011027562_mpeg21_p001_image

Dan is er de Europese humanitaire regeling als onderdeel van het verdrag over de Europese Verdrag van de Rechten van de Mens. Mensen die uit landen in oorlog komen, mogen komen schuilen. Syriërs, Eritreërs. Het gaat hier om collectieven.

Omdat het in beide gevallen verdragen zijn, kunnen die moeilijk worden veranderd. De verandering moet door álle parlementen van de verdragspartijen worden geratificeerd om geldigheid te krijgen. Daarin verschilt het met wijziging van bijvoorbeeld wetgeving. Daarvoor is slechts een meerderheid nodig.

Verder zijn regeringen en internationale organisaties bang dat er niets meer van het vluchtelingenrecht overblijft als men eenmaal aan het veranderen slaat. Het Vluchtelingenverdrag wordt door velen gezien als een van de grote verworvenheden voor de internationale rechtsorde die na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd.

Ten slotte is er een praktisch punt. Wie het VN‐Vluchtelingenverdrag wil opzeggen of aanpassen, zal dat ook moeten doen met de talloze wetsartikelen die terugkeren in EU‐wetgeving over dit onderwerp.

De onveranderlijkheid van de verdagen heeft een prijs. Nu houden steeds minder landen zich in alle opzichten aan het Vluchtelingenverdrag gezien het toenemend aantal grenscontroles‐ en ‐sluitingen in Europa. De verdragen kunnen niet worden veranderd, maar de praktijk verandert wel snel.

C. Overheidsbeleid

1. Wil de overheid het aantal asielzoekers beperken?
Ja, maar (nog) niet door een plafond in te stellen zoals bijvoorbeeld Oostenrijk doet. De Nederlandse regering ontmoedigt de komst van asielzoekers liever, en probeert via Europese afspraken de toestroom te beperken. Voorbeeld van het ontmoedigingsbeleid is de brief die staatssecretaris Klaas Dijkhoff (VVD, Veiligheid en Justitie) 19 oktober vorig jaar aan alle inwoners van asielzoekerscentra in Nederland stuurde. Daarin waarschuwde hij voor sobere voorzieningen, lange wachttijden en lange procedures voor gezinshereniging. Het kabinet hecht verder aan de uitvoering van de EU‐afspraken om via een bepaalde verdeelsleutel asielzoekers over de 24 EU‐lidstaten te verspreiden. Daarmee kan de druk op Nederland worden verlicht. Ook moet Turkije meer doen aan het tegenhouden van asielzoekers die de oversteek naar Europa maken.

2. Heeft de Nederlandse overheid het vluchtelingenprobleem onder controle?
Ja en nee. Ja, in de zin dat enkele belangrijke doelen van het overheidsbeleid worden gehaald. Daarbij gaat het om het voorkomen dat asielzoekers zonder dak boven hun hoofd, door het land gaan zwerven, op straat moeten slapen. Ook is het beruchte ‘gesleep met vluchtelingen’ van sporthal naar sporthal is ten einde gekomen. Duizenden vrijwilligers van Rode Kruis, Vluchtelingenwerk, kerken en andere organisaties hielpen sporthallen het tweede half jaar in 2015 omtoveren tot tijdelijke opvangplekken. Het COA kondigde eind januari aan dat deze crisisopvang niet meer nodig is: op 1 februari werd de laatste crisisopvang ‐ die in Zwijndrecht ‐ gesloten.

Het huisvestingsprobleem voor statushouders blijft wel hardnekkig; 15.000 asielzoekers met een verblijfsvergunning (een derde van het totaal aantal azc‐bewoners) houden binnen asielzoekerscentra de plaatsen voor binnenkomende vluchtelingen bezet. Ook lopen de meeste provincies achter bij het realiseren van 2500 extra opvangplekken per provincie. Die moeten op 1 februari beschikbaar zijn.

 ANP

Bij het Eschmarkerveld in Enschede werden in november varkenskoppen achtergelaten op de plek waar een azc komt. ANP

Nee, in de zin dat uiterst onzeker is of de aanpak die het kabinet heeft gekozen bij de beperking van de stroom vluchtelingen, gaat werken. Die berust vooralsnog op het centraal verdelen van de asielzoekers over Europa, en een afspraak met Turkije. Dat laatste land moet meer gaan doen om de vluchtelingenstroom naar Europa te stoppen. Een aantal EU‐lidstaten, met name in het Oosten (Polen, Slowakije, Hongarije), wil echter niet meewerken aan de centrale verdeling. Mede daardoor blijft de druk van de vluchtelingenstroom op Nederland hoog. En Turkije werkt nog niet heel erg mee wat betreft het tegenhouden van vluchtelingen aan de grenzen met Europa.

Op 28 januari 2016​ ​lanceerde PvdA‐leider Diederik Samsom een aanvullend plan​. Dat zou via het EU‐voorzitterschap dat Nederland sinds begin januari bekleedt, moeten worden gerealiseerd. Volgens het plan wordt iedereen die vanuit Turkije naar Griekenland zonder pardon terug vervoerd naar Turkije. Van daaruit mogen dan jaarlijks tussen de 150.000 en 250.000 vluchtelingen legaal naar Europa komen. Nederland zou daarvan twintig à dertigduizend vluchtelingen opvangen. Ook dit plan vergt de medewerking van Turkije, net als van de EU.

3.Zullen overheden cijfers over de instroom van asielzoekers gaan manipuleren?​
Immers, zo vraagt een lezer die anoniem wil blijven: leiders als Angela Merkel en Mark Rutte staan onder druk om te laten zien dat ze het vluchtelingenprobleem wel degelijk onder controle hebben. Gunstige cijfers kunnen bij die beeldvorming helpen.
Ongeveer een week nadat de redactie de mail met deze vraag had ontvangen, leverde de genoemde Mark Rutte een voorbeeld van de veronderstelling van de lezer. Over vluchtelingen die van Turkije naar Griekenland oversteken​ ​zei​ ​Rutte op 10 februari:

"Waar we nog maar een week geleden spraken over duizendtallen per dag, spreken we nu over enkele honderden per dag”.

Het gebeurde tijdens een persconferentie met de Turkse premier Davutoglu in Den Haag. Dit toonde volgens Rutte dat de Turkse inspanningen om migranten tegen te houden, “grote effecten” hebben.

Foto Koen van Weel / ANP

Foto Koen van Weel / ANP

Cijfers van de UNHCR bewezen echter het tegendeel. Een dag eerder kwamen 3.676 migranten aan op de Griekse eilanden. Nog een dag eerder waren het er 2.418. Frontex, de Europese grensbewakingsorganisatie die volgens Rutte de cijfers geleverd had, zei niet de getallen te kennen die Rutte leverde. Het leverde de premier veel​ ​kritiek​ op van de oppositie.

Een ander bekend voorbeeld van een opmerkelijke omgang met cijfers gaf EU‐commissaris Frans Timmermans. Hij​ ​verwees​ ​eind januari naar cijfers van, eveneens, EU‐grensbewakingsorganisatie Frontex. Daaruit zou blijken dat 60 procent van de instroom inmiddels uit landen komt die als veilig gelden (Marokko, Tunesië). Met andere woorden: als die eenmaal zouden zijn teruggestuurd, zou de stroom beheersbaar kunnen worden gemaakt. "Die mensen zouden sneller terug moeten”, zei Timmermans over onder meer de Marokkanen.

"Als we daar eens mee zouden beginnen. Dat zou een enorm verschil maken."

Probleem: de cijfers die zijn uitlatingen moeten ondersteunen, waren tot op de dag van het verschijnen van dit artikel nog steeds niet openbaar gemaakt.

Ten slotte is er voortdurend gedoe over de prognose van bijna 94.000 asielzoekers die volgens een geheime ambtelijke nota dit jaar naar Nederland zouden komen. Officieel gaat het kabinet uit van 58.000. Lagere overheden richten zich echter toch op het veel hogere aantal van 94.000,​ ​schreef nrcnext eerder.

D. Kosten van opvang

1. Hoeveel kost een asielzoeker?
In algemene zin is die vraag heel moeilijk te beantwoorden,​ ​schreef ​nrc.next op 15 oktober 2015​. Voor verschillende categorieën asielzoekers (jong, oud, korte of lange asielprocedure) worden verschillende kosten gemaakt. Toch deden we een poging. We kwamen uit op maximaal 44.000 euro per asielzoeker (een minderjarige die een vergunning krijgt en naar het voortgezet onderwijs gaat.) Een meerderjarige die een vergunning krijgt zonder in beroep te gaan, kost ongeveer 28.000 euro.

Het gaat om kosten voor juridische bijstand, voor opvang, onderwijs en gezondheidszorg tijdens de asielprocedeure. Zorgverzekeraar Menzis, die de afhandeling van de ziektekosten van alle asielzoekers regelt, schatte die zorgkosten eind vorig jaar grofweg op 120 miljoen euro voor 2015; bijna een verdubbeling ten opzichte van een jaar eerder.

Minister Dijsselbloem (PvdA, Financiën) zei in oktober 2015 dat het kabinet​ ​ongeveer 1 miljard euro kwijt is aan opvang en huisvesting van asielzoekers in 2015.

Het eten in een opvang in Assen voor alleenstaande mannen (verzorgd door cateraar Bos & Bos):

2. Wat kosten het COA en gelieerde instellingen de staat ieder jaar?
​Dat vraagt Coby Nieuwspoort uit Oud‐Beijerland.
Volgens de laatste begroting voor 2016 krijgt de Immigratie‐ en Naturalisatiedienst (IND) ruim 360 miljoen euro. De IND beslist over asielaanvragen, maar ook over verzoeken van bijvoorbeeld westerse migranten en buitenlandse studenten. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) krijgt 830 miljoen euro.

Voor de terugkeer van migranten die niet in Nederland mogen blijven, is 27 miljoen euro gereserveerd. Hiervan gaat 6,3 miljoen euro naar vrijwillige terugkeerders. Zij kunnen financiële ondersteuning aanvragen voor de reis naar hun land van herkomst.

 Foto Robin van Lonkuijsen / ANP

Koning Willem-Alexander in gesprek met een COA-medewerker tijdens zijn werkbezoek aan Ter Apel. Foto Robin van Lonkuijsen / ANP

3. Welke instantie onderzoekt de kostenopbouw rond asielzoekers?
Dat vroeg een lezer die anoniem wil blijven.
Daar zijn tenminste drie instanties bij betrokken: de instellingen zelf die het asielbeleid uitvoeren (Immigratie en Naturalisatiedienst, Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers, Dienst Terugkeer en Vertrek); de Rijksauditdienst die namens het ministerie van Financiën bekijkt hoe het geld is uitgegeven; en de Algemene Rekenkamer. De laatste doet jaarlijks het zogeheten Verantwoordingsonderzoek. Daarin wordt bekeken of de Rijksuitgaven doelmatig zijn besteed en goed zijn verantwoord. De woordvoerder van de Rekenkamer zegt dat dit jaar specifiek naar de kostenopbouw in de asielketen gekeken gaat worden. Het rapport komt in mei van dit jaar uit.

Foto Martijn Beekman / ANP

De Algemene Rekenkamer. Foto Martijn Beekman / ANP

4. Hoe worden de extra kosten voor asielzoekers betaald?
Immers, schrijft Jaap Dijkstra uit Leiden, als de ongeveer 1 miljard euro aan extra uitgaven die minister Dijsselbloem noemde, uit de pot van Ontwikkelingssamenwerking komt, dan draaien ontvangers van Nederlandse ontwikkelingshulp voor de kosten op, niet de Nederlandse belastingbetaler.
De Nederlandse belastingbetaler betaalt alle overheidsuitgaven, dus ook alle (oplopende) kosten van de opvang van asielzoekers. Voor de laatste gaat hij echter geen extra belasting betalen. De groei van de kosten voor opvang wordt voor een belangrijk deel gefinancierd met geld dat eerder was gereserveerd voor ontwikkelingslanden. Het COA wordt bijna volledig betaald van geld dat gereserveerd was voor ontwikkelingssamenwerking – 747 miljoen van de 830 miljoen euro. De kosten voor opvang in het eerste jaar voor asielzoekers uit ontwikkelingslanden (Eritrea, Syrië), worden betaald uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Daarna betaalt Veiligheid en Justitie.

Overigens is het volgens het kabinet niet zo dat er in lopende ontwikkelingsprogramma’s moet worden geschrapt. De bezuiniging komt erop neer dat de betreffende programma’s ‘minder meer’ krijgen: een korting op de stijging voor deze uitgaven. Die zijn immers gebonden aan ons welvaartsniveau dat door de (beperkte) economische groei enigszins is gestegen.

Om de oplopende kosten verder te financieren is in 2015 ongeveer 350 miljoen euro weggehaald bij geld dat over was bij diverse departementen (onderuitputting). Normaliter gaat dit geld terug naar de schatkist. Ook een vergoeding die Nederland krijgt van Brussel voor vluchtelingenopvang (54 miljoen euro) wordt gebruikt om de kosten te dekken (27 miljoen euro in 2016). Al dit geld ging naar Veiligheid en Justitie.

Foto Valerie Kuypers / ANP

Staatssecretaris Klaas Dijkhoff en premier Mark Rutte tijdens het Tweede Kamerdebat over de instroom van asielzoekers. Foto Valerie Kuypers / ANP

5. Betalen asielzoekers voor hun verblijf in een Nederlands opvangcentrum?
Twee verschillende groepen wel. Werkende asielzoekers mogen alleen de eerste 25 procent van hun inkomsten houden, de rest moeten ze afstaan voor hun opvang. Ook vermogende asielzoekers betalen mee. Dat wil zeggen: de voorschotten die ze hebben gekregen voor onderdak en voedsel worden bij hen teruggevorderd. Voor hen gelden dezelfde regels als voor iemand met een bijstandsuitkering.

De regelingen omtrent​ v​oorschotten​ en ​t​erugbetaling​ zijn uiterst gedetailleerd voor verschillende groepen asielzoekers.​ E​lsevier berekende in december​ dat een alleenstaande, vermogende asielzoeker 196 euro per maand moet terugbetalen voor onderdak. Als de asielzoeker daarnaast ook geld krijgt voor het zelf verzorgen van maaltijden, komt er nog eens ruim 190 euro per maand bovenop. Voor een alleenstaande asielzoeker is de vermogensgrens 5.895 euro, voor een echtpaar en voor een alleenstaande ouder is de grens 11.790 euro. Onder vermogen wordt eigen geld verstaan (contanten, direct beschikbare tegoeden), niet een duur horloge, laptop of telefoon.

In 2013 werd 177.000 euro teruggevorderd door het COA van asielzoekers, en in 2014 178.000 euro. Voor 2015 staat de teller op 137.000 euro. De afrekening over vorig jaar is nog niet klaar.

Foto Robert Vos / ANP

Vrijwilligers van het Rode Kruis brengen een opvanglocatie voor vluchtelingen in Dordrecht in gereedheid. Foto Robert Vos / ANP

6. Wat krijgen asielzoekers in tegenstelling tot Nederlanders gratis? Zwemles voor kinderen?
Dat vraagt Jilles Douwes uit Hasselt zich af.
Het maakt uit of een asielzoeker in de noodopvang of in een asielzoekerscentrum of met een verblijfsvergunning in een gemeente gaat wonen. In de noodopvang heeft de asielzoeker recht op onderdak, eten en medische zorg. Ze krijgen wasmiddel en spullen voor persoonlijke verzorging.

Eenmaal in een asielzoekerscentrum doet een asielzoeker zelf boodschappen en kookt zelf. Ze krijgen een bedrag voor eten en persoonlijke uitgaven. Voor een gezin met twee kinderen is dat 162 euro per week. Als asielzoekers werken, dat mag maximaal 24 weken per jaar, moeten ze bijdragen aan hun opvang. Dat doen ze ook als ze zelf geld hebben.

Als de vluchteling een tijdelijke verblijfsvergunning krijgt en een woning krijgt aangeboden krijgt hij een lening, dus geen gift, om de woning in te richten. Vrijwilligers, sportclubs en andere organisaties bieden soms gratis uitstapjes. Maar dat is afhankelijk van dergelijke initiatieven. In december kwam zwembad De Peppel in Ede bijvoorbeeld in het nieuws met een aanbod aan 150 vluchtelingen in die gemeente voor een zwemuitje. Dit was een initiatief van het zwembad zelf. Het uitje werd om onduidelijke redenen afgeblazen.

7. Hoeveel duurder (relatief gezien) zijn kleine azc’s vergeleken met grote?
Dat vraagt Marja Smits uit Amsterdam. Immers: het COA streeft onder meer uit kostenoverwegingen, naar grote centra. Die roepen de nodige weerstand op, vooral buiten de Randstad.
Deze vraag is nauwelijks te beantwoorden met concrete cijfers. Probleem is dat er geen goede vergelijking te maken valt tussen grote en kleine azc’s. Immers: grotere (en duurdere) centra hebben meer voorzieningen (bijvoorbeeld kinderopvang, een dokterspost of een sportfaciliteit) die kleine centra vaak niet hebben.

Naarmate het verzet tegen grootschalige opvang groeit, worden gemeenten wel steeds inventiever om de kosten van kleinschalige opvang te drukken. De gemeente Zwijndrecht bijvoorbeeld brengt vluchtelingen onder in anti‐kraakpanden zonder beveiliging. Vluchtelingen kunnen zelf koken in plaats van catering te krijgen, zoals binnen grote opvanglocaties gebeurt. Dat scheelt geld. Andere gemeenten proberen een gemeenschappelijke dokterspost in te richten voor een aantal kleinschalige opvangcentra.

Verder stelde Vluchtelingenwerk dat de kostendiscussie over azc’s een kortzichtige is. Kleinschalige opvang mag op korte termijn misschien duurder zijn, maar omdat de integratie in de lokale gemeenschap via een klein azc meestal beter lukt zijn de kosten op langere termijn lager. "Duurder maar duurzamer”, noemde Vluchtelingenwerk dat.

Ook de politie pleitte onlangs voor kleinschaliger locaties. Plaatsvervangend korpschef Ruud Bik zei tegen persbureau ANP dat de situatie bij kleinere opvang beter te beheersen is voor agenten. Bik:

"In een grote opvanglocatie kan het door het grote aantal mensen fors uit de hand lopen."

Ook de politieinzet zou moeten worden betrokken in de discussie over kosten van kleine centra, vond Bik.

Foto Remko de Waal / ANP

Asielzoekers in de keuken van een azc in Zeist. Foto Remko de Waal / ANP

8. Hoeveel van de kosten voor asielzoekers worden terugverdiend via verhoogde opbrengsten voor bijvoorbeeld ondernemers?
​Wim Oerlemans uit Austerlitz schrijft: "Bij 60.000 asielzoekers moet het om een groot bedrag gaan dat naar onze samenleving terugvloeit.” Daarbij doelde hij op het aantal asielzoekers dat dit jaar wordt verwacht. Vorig jaar was er ongeveer een zelfde aantal.
Volgens de OESO is het bedrag dat via verhoogde opbrengsten en belastingen terugvloeit in de staatskas, best groot. ​De Organisatie voor Economische Samenwerking concludeerde in juni 2013 in een​ ​rapport​ ​ dat het netto‐resultaat voor overheidsuitgaven‐ en inkomsten van migratiestromen naar de lidstaten gemiddeld dicht bij het nul‐ punt uitkomt. Niet positief en niet negatief dus, al zijn er onderling wel grote verschillen tussen OESO‐landen. Bovendien was dit rapport geschreven voor de grote hausse aan vluchtelingenstromen van 2015.

Een van de belangrijkste factoren die de uiteindelijke balans bepaalt, is volgens de OESO de vraag of migranten betaald werk gaan doen, daarmee (loon‐)belasting afdragen en de sociale zekerheid en bijstand niet belasten. Ook de leeftijd van de immigrant is een belangrijke bepalende factor.

Op de kortere termijn zijn er verhoogde belastinginkomsten op tenminste twee gebieden. Door banengroei in bijvoorbeeld de dienstensector dragen meer mensen loonbelasting af. Daarnaast zijn er hogere BTW‐inkomsten van midden‐ en kleinbedrijf in gemeenten met azc’s en andere opvang.

Uit onderzoek dat​ ​de Volkskrant​ vorig jaar deed, bleek dat er tussen begin 2014 en midden 2015 (dus nog voor de hausse aan instroom) meer dan 1000 fulltime banen waren bijgekomen. Daarvoor wordt ook (loon‐)belasting betaald. Het​ ging om functies als beoordelaar van asielverzoeken, land‐ en taalonderzoeker en tolk bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND). Daarnaast ging het om woonbegeleiders, verpleegkundigen, huismeesters, sporttrainers, keukenhulpen, administratief medewerkers en managers die aan de slag konden in asielzoekerscentra van het COA.

Uitzendbureaus die deze mensen aanleverden, profiteerden van de groei. Daarnaast was er indirecte werkgelegenheid, zoals voor schoonmakers, toeleveranciers (voedingsmiddelen, beddengoed, televisies), advocaten, onderwijzers en voor supermarkten en snackbars in de omgeving van de opvanglocaties.

9. Hoe zou de inzet van vrijwilligers kunnen worden meegerekend in de kosten per asielzoeker, als dit betaald werk zou zijn?​
Dat vraagt Martin.
Het Rode Kruis maakt, geconfronteerd met deze lastige vraag, een vergelijking met EHBO’ers. Steeds meer EHBO‐diensten vragen voor hun werk een uurvergoeding. Een simpele rekenoefening waarbij we uitgaan van een uurtarief van vijf euro zoals de EHBO‐dienst in Bladel,​ gemiddeld een uur vrijwilligerswerk per week en twintigduizend vrijwilligers, levert een jaarbedrag op van 5,2 miljoen euro.

In werkelijkheid ligt de financiële waarde van alle vrijwilligersinspanningen waarschijnlijk veel hoger. In 2014 berekende een medewerker van de ING‐bank tijdens het​ ​Congres Maatschappelijk Ondernemen​ ​dat vrijwilligers in Nederland jaarlijks bij elkaar een bedrag van zo’n 14 miljard euro “omzetten” (bij een uurtarief van 14 euro en 60 cent).

Overigens is de kans aanwezig dat de vele inspanningen voor vluchtelingen andere vormen van vrijwilligerswerk elders in de samenleving verdringen. Onderzoeksinstituut Movisie schreef in een rapport​ ​dat bestaand vrijwilligerswerk leed onder het toenemend beroep dat de overheid op de burger doet (bijvoorbeeld bij mantelzorg). De investering van vrijwilligers in de ene sector gaat gemakkelijk ten koste van een andere.

Foto Bart Maat / ANP

Foto Bart Maat / ANP

E. Terugkeer

1. Wie maakt kans hier te blijven, wie moet terug?
Nu zijn het vooral de Syriërs, Irak, Eritreeërs, Afghanen en een deel van de staatlozen die mogen blijven. Opgeteld zijn dat ongeveer 40.000 mensen uit de groep van bijna 60.000 mensen die in 2015 asiel zocht. Mensen uit de Balkan, Oekraïne en veilige delen van Afrika krijgen geen asielstatus. Op 29 januari 2016 kondigde het kabinet aan dat Nederland Albanezen versneld via lijnvluchten gaat uitzetten. Albanië werkt daaraan mee.

Er zijn vier gronden voor recht op asiel. Wie in het land van herkomst persoonlijke vervolging te vrezen heeft vanwege bijvoorbeeld ras, godsdienst of politieke voorkeur, heeft er recht op. Hetzelfde geldt voor onmenselijke of vernederende behandeling in het eigen land. Ook iemand die slachtoffer dreigt te worden van willekeurig geweld door een gewapend conflict, maakt kans op asiel. Een vierde asielgrond is als de partner, vader of moeder een verblijfsvergunning in Nederland heeft gekregen.

De vluchtelingencrisis uitgelegd in zes minuten:

2. Gaan degenen die terug moeten, daadwerkelijk terug?
Lang niet allemaal. In het eerste halfjaar van 2015 zijn 4.320 vreemdelingen aantoonbaar vertrokken. Ruim de helft van hen is onder dwang vertrokken, onder begeleiding van de marechaussee. Deze ‘vreemdelingen’, zoals ze in de statistiek heten, zijn niet alleen recent uitgeprocedeerde asielzoekers maar bijvoorbeeld ook mensen die al langere tijd illegaal in Nederland zijn gebleven, maar nu toch terug moeten.

Bekijk een reportage van EenVandaag over terugkerende vreemdelingen:

In datzelfde halfjaar lukte het bij 3.800 vreemdelingen niet om ze aantoonbaar te laten vertrekken. Zij zijn volgens de statistieken ‘vertrokken zonder toezicht’. In de praktijk blijven zij vaak in Nederland, waar ze verdwijnen in de illegaliteit.In 2013 waren er ongeveer 35.000 illegalen, schatte het WODC, het studiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

3. En degenen die mogen blijven, gaan die uiteindelijk ooit terug?
Dat ligt er een beetje aan uit welk land ze ooit kwamen, hoe het inmiddels met dat land gaat, en hoe oud de toegelaten asielzoekers zijn. Joegoslaven bijvoorbeeld die de burgeroorlog in de jaren negentig ontvluchten, gingen vaker terug dan Afghanen. Er wonen inmiddels 44.000 Afghanen in Nederland, een van de grootste Afghaanse gemeenschappen in Europa. De remigranten zijn vaak jong tussen de 20 en 45: mensen die veel energie hebben en toekomst zien in een bestaan elders, zo wees onderzoek van Regioplan uit 2010 (​pdf​) uit.

5. Welk percentage vluchtelingen krijgt een tijdelijke, welke een permanente verblijfsvergunning?
Dat vraagt Raoul Hamers uit Amsterdam. De vraag van P. van den Bosch uit Alkmaar heeft op hetzelfde onderwerp betrekking. Hij vraagt: Mogen de asielzoekers hier blijven, als de oorlog is afgelopen? Of moeten ze weer terug om hun plat‐gebombardeerde en ontredderde land weer op te bouwen, zoals wij moesten doen na de Tweede Wereldoorlog?

Alle asielzoekers die worden toegelaten, krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning voor vijf jaar. Als de situatie in hun thuisland goed genoeg is, wordt hun vergunning ingetrokken en moeten zij terug. Als ze na die vijf jaar nog steeds recht hebben op bescherming vanwege de slechte situatie in hun land, komen ze in aanmerking voor een permanente verblijfsstatus. Ze moeten dan wel hun inburgeringsexamen halen. Deze permanente verblijfstatus geeft ook het recht om, als je aan enkele voorwaarden voldoet, te naturaliseren tot Nederlander.

F. Integratie (werk, taal, geloof)

1. Maken degenen die blijven, kans op werk?
Die kans is vooralsnog niet groot, blijkt uit onderzoek naar de werkloosheid onder mensen die eerder naar Nederland kwamen. Uit recent onderzoek dat het SCP, de WRR en het WODC onlangs publiceerden , bleek dat maar een derde van diegenen die vanaf 1995 naar Nederland kwamen, een fulltime baan heeft. In het onderzoek werden vijftien jaar lang 33.000 vluchtelingen gevolgd. Van hen kwam 23 procent uit Irak, 19 procent uit Afghanistan, 18 procent was voormalig Joegoslaaf, 10 procent Iraniër, 3 procent Somaliër en 19 procent kwam elders uit Afrika. Een op de drie onderzochte vluchtelingen van toen heeft nu een baan van meer dan 30 uur per week.

2. Wanneer mag men werken?
Indien men toegelaten is als asielzoeker, of na een half jaar in de procedure te hebben gezeten. In dat laatste geval is wel een tewerkstellingsvergunning van het COA nodig. Werkende asielzoekers zijn het COA een eigen bijdrage verschuldigd voor de kosten van de opvang en de uitkering die zij maandelijks ontvangen om van te kunnen leven. Ze mogen de eerste 25 procent van hun inkomsten houden, met een maximum van 185 euro per maand.

3. Wat wordt er gedaan om statushouders aan het werk te krijgen en te houden?
Dat vraagt een lezer uit Arnhem.
Er zijn her en der in het land projecten. Daarbij zijn meestal op z’n hoogst enkele tientallen vluchtelingen betrokken. Hogeschool Utrecht, bijvoorbeeld, leidt 23 recente vluchtelingen op in ICT. Ook de gemeente Amsterdam heeft een project om vluchtelingen zo snel mogelijk naar werk te geleiden.

Een omvangrijker project organiseren Vluchtelingenwerk Nederland en Stichting Vluchteling‐Studenten UAF. Hun project Startbaan hielp met jobcoaches, extra taallessen en extra budget (onder meer van de Nationale Postcode Loterij) in drie jaar tijd 800 vluchtelingen aan stages en een baan. Dit soort aanpak is echter uitzonderlijk. Het duurt in de praktijk anderhalf jaar voor vluchtelingen überhaupt kunnen gaan werken of stage lopen, dit vanwege de grote aantallen vluchtelingen die binnenkomen. Het beleid is dat de baan pas op de erkenning als vluchteling kan volgen omdat anders niet‐erkende vluchtelingen nog heel moeilijk teruggestuurd kunnen worden.

Overigens leverden enkele lezers kritiek op het sombere beeld dat NRC in de vorige editie gaf van de arbeidskansen voor migranten. Op basis van onderzoek, onder meer van de WRR en het SCP, werd gemeld dat "maar” eenderde een fulltime‐baan heeft. Fred Pach uit Amsterdam verwijst naar cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daaruit blijkt dat ook Nederlanders in overgrote meerderheid(zo’n tweederde ) partime werken, een zelfde percentage dus. Statushouders doen het dus helemaal niet zo slecht, concludeerde Pach.

Probleem met de cijfers van het CBS is dat die gaan over de leeftijdsgroep van 15 tot 75 jaar oud. Het WRR‐rapport waarop NRC zich baseerde, onderzocht een relatief kleinere groep, die van 15 tot 65 jaar oud. Daar is de arbeidsdeelname logischerwijs relatief groter, waardoor het beeld ongunstiger uitpakt voor de migranten. Bovendien zijn in het genoemde rapport onrustbarende cijfers te vinden van hoge bijstandsafhankelijkheid (per september 2013) van diverse groepen statushouders: 26 procent voor Afghanen, 37 procent voor Irakezen, 24 procent voor Iraniërs en 53 procent voor Somaliërs. Volgens het CBS is zes op de tien Syriërs afhankelijk van een uitkering.

4. Tot welke geloofsrichtingen behoren de asielzoekers?
Dat vragen onder anderen Hans Broekhuizen uit Utrecht en Coby Nieuwpoort uit Oud‐Beijerland.
Dat wordt niet apart bijgehouden door de IND. Precieze getallen zijn daarom niet te geven. Feit is wel dat het grootste deel van de huidige asielstroom afkomstig is uit islamitische landen als Syrië, Irak, Iran en Afghanistan. Daarbinnen bestaan grote verschillen, zowel wat betreft richting (shiíten, soennieten, alevieten), als wat betreft de mate van secularisatie. Bij dat laatste moet worden aangetekend dat secularisatie onder moslims anders verloopt dan onder christenen. Veel geseculariseerde moslims gaan nog regelmatig naar de moskee, en volgen andere godsdienstige praktijken zoals bidden en het vieren van het suikerfeest.

Onder de Syrische asielzoekers zijn veel orthodoxe christenen. Hun kerkgemeenschap staat op het punt van uitsterven in Syrië door de terreur en repressie van IS. Ook veel gevluchte Eritreëers, een andere belangrijke groep onder de asielzoekers, kennen een
christelijke achtergrond. Veel christenen worden in Eritrea zelf vervolgd. In Eritrea zelf is ongeveer de helft van de bevolking moslim (soennitisch).

5. Remmen die geloofsrichtingen de integratie?
Dat vragen diverse lezers zoals Hans Broekhuizen uit Utrecht en E.J. van den Berg uit Rotterdam.
Dit is een even moeilijk te beantwoorden als vaak gestelde vraag. In de (vaak felle) discussie over integratie van moslims in de Nederlandse samenleving gaat het, grosso modo, om drie onderwerpen: politiek‐culturele opvattingen, arbeidsmarktparticipatie, en ethische vragen (seksualiteit, euthanasie).

Over het eerste onderwerp is zowel Europa als Nederland diep verdeeld. Diverse Oost‐Europese landen zoals Polen en Tsjechië gaven aan geen islamitische asielzoekers te willen binnenlaten. Die groepen staan "cultureel teveel op afstand van ons”, zoals de Tsjechische president Milos Zeeman vorig jaar zei. Daarbij wees hij onder meer op het islamitisch denken over de verhouding tussen kerk en staat, geloofsafvalligheid en religieus pluralisme. De grote meerderheid van de EU‐ lidstaten maakt echter bij toelating van asielzoekers dit godsdienstig onderscheid niet, ook Nederland niet. Daar worden de Vluchtelingen en mensenrechtenverdragen toegepast die bij toelating van vluchtelingen geen onderscheid maken naar godsdienst. De PVV wil als enige Nederlandse politieke partij alle
islamitische asielzoekers weren omdat zij niet goed zouden integreren.

Als het gaat om arbeidsmarktparticipatie (het tweede onderwerp) , lijkt religie geen factor van belang te zijn. De Utechtse socioloog Fenella Fleischmann die dat onderzocht, zei daarover op 17 november 2015 in Trouw:

"Het is niet zo spannend om te zeggen, maar er is gewoon geen verband tussen integratie en religie. Zeker als je kijkt naar arbeidsmarktparticipatie. Of je nu heel of weinig religieus bent, het heeft geen invloed op het feit of je wel of niet werkt.”

Waar het gaat om sekusuele opvattingen (homo/heteroseksualiteit), of levensvragen (abortus, euthanasie) denken behoudende christenen en moslims min of meer hetzelfde, aldus de socioloog Mieke Maliepaard. Laatstgenoemde die samen met Fleischmann het integratieonderzoek deed, zei daarover:

"Hoe religieuzer mensen zijn ‐ en dat geldt voor autochtonen én allochtonen ‐ hoe conservatiever hun opvattingen over bijvoorbeeld homoseksualiteit, de verhoudingen tussen mannen en vrouwen en abortus."

6. Worden vergunninghouders gelijkmatig verdeeld over heel Nederland?
Diederik Tjeenk Willink uit Wassenaar stelde deze vraag uit bezorgdheid over de komende integratie van de grote groepen vluchtelingen. Of staan we vluchtelingen toe een “Klein Syrië” op te richten in Rotterdam Zuid, net als de Turken en de Marokkanen, voegde Tjeenk Willink eraan toe.
Statushouders, asielzoekers met een verblijfsvergunning, worden vanuit het asielzoekerscentrum (azc), zo gelijkmatig mogelijk verdeeld over de Nederlandse gemeenten. Elke gemeente heeft een taakstelling, een quotum van in sociale huurwoningen te plaatsen statushouders. Dat quotum wordt bepaald op basis van inwonertal: grote gemeenten moeten meer mensen huisvesten dan kleine gemeenten.
Jan Willem Anholts, woordvoerder van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA), zegt:

“Statushouders kunnen kijken in een aanbodsbank, een soort Funda met het aanbod van gemeenten.”

Zij komen meestal te wonen in de regio waar hun azc ligt. Maar dat hoeft niet: statushouders kunnen ook ingaan op een woningaanbod dat afkomstig is van de andere kant van het land. Statushouders kunnen een voorkeur hebben voor een gemeente waar relatief veel landgenoten zijn gaan wonen. Daardoor kan toch de door Tjeenk Willink opgemerkte concentratie ontstaan. Veel Eritreeërs gaan bijvoorbeeld naar Rotterdam.

Er zitten aan deze vrijheid echter wel beperkingen. Een statushouder mag een goed woningaanbod één keer weigeren, maar niet een tweede keer. Komt er een goed aanbod uit een andere gemeente dan Rotterdam, dan zal de Eritreeër dat toch moeten aannemen.

7. Klopt het dat de huidige asielzoekers beter en vaker Engels spreken dan eerdere generaties?
Dat vraagt een lezer uit Amsterdam.
Deze vraag is lastig te beantwoorden omdat er geen Engelse taaltoets wordt gedaan bij binnenkomst. Van de asielzoekers die vorig jaar en dit jaar Nederland binnen kwamen, komt bijna de helft uit Syrië (47 procent). De indruk kan bestaan dat zij vrijwel allemaal goed Engels spreken, maar dat klopt niet. Veel Syrische vluchtelingen spreken niet of tamelijk slecht Engels. Een deel is hoger opgeleid en spreekt behoorlijk Engels. Het gaat dan vooral om jongeren. Een Syrische docent Engels die in de noodopvang in Amsterdam Zuidoost verblijft, schat dat tien tot twintig procent van zijn landgenoten goed Engels spreekt. Het niveau van het Engelse onderwijs in Syrïë is veel lager dan in Nederland, zegt hij. Volgens hem wordt spreekvaardigheid op Syrische middelbare scholen nauwelijks geoefend.
Een achttienjarige vluchteling die in Syrië de middelbare school heeft afgerond, beaamt dat. Dat hij zelf zeer behoorlijk Engels spreekt, heeft hij geleerd door Amerikaanse en Britse films en televisieprogramma’s te volgen, vertelt hij.

De tweede grootste groep vluchtelingen die in 2015 naar Nederland kwam, is afkomstig uit Eritrea (14 procent). Van de Eritreeërs spreekt maar een heel klein deel Engels. In de jaren negentig van de vorige eeuw - toen de toestroom van asielzoekers ook groot was - kwamen de grootste groepen uit voormalig Joegoslavië, Irak en Somalië. Ook onder deze mensen was het niveau van het Engels zeer afhankelijk van het opleidingsniveau, of ze in een stad of dorp woonden en uiteraard het niveau van het onderwijs in het land van herkomst.

Het zou kunnen dat asielzoekers van nu gemiddeld iets beter Engels spreken dan de vluchtelingen die vijftien, twintig jaar geleden naar Nederland kwamen, zegt een woordvoerder van VluchtelingenWerk Nederland, na navraag. Dat zou ook kunnen komen doordat er op veel grotere schaal gebruik wordt gemaakt van internet. Daarnaast heeft de globalisering ervoor gezorgd dat kennis van het Engels belangrijker werd, ook in landen als Syrië.

Overigens spreken huidige asielzoekers onderling vaak een soort Engels, dat “azc-Engels” wordt genoemd: een potpourri van Engelse woorden, Arabisch en met azc-jargon.

Foto Piroschka van de Wouw / ANP

Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken tijdens een werkbezoek aan ecologisch tuinenpark De Driehoek. In dit volkstuinencomplex is het voor vluchtelingen mogelijk om vrijwilligerswerk te doen. Foto Piroschka van de Wouw / ANP

G. Huisvesting statushouders

1. Krijgen statushouders allemaal een sociale huurwoning?
Tot voor kort wel. Probleem is dat die er lang niet altijd zijn. Een groot deel van de gemeenten loopt sterk achter met het huisvesten van statushouders. Alleen in Overijssel gaat het goed. Containerachtige woningen en omgebouwde kantoorpanden worden het alternatief voor de eensgezinswoning.

2. Waarom lukt het niet om goede huisvesting voor vluchtelingen met een verblijfsvergunning te regelen?
Omdat er al voor de toename van het aantal asielzoekers wachtlijsten waren voor sociale huurwoningen. Woningbouwcorporaties hebben de laatste jaren veel van hun sociale huurvoorraad verkocht. De toename van de vluchtelingenstroom heeft het probleem verergerd. Vluchtelingen komen vrijwel altijd in een sociale huurwoning terecht, omdat ze nog geen eigen inkomen hebben. Probleem is ook dat de gemeente vaak geen eigen grond bezit, dat ze zou kunnen gebruiken voor de bouw van woningen. Het verbouwen van kantoren tot woningen, een andere optie, kost tijd (en geld).

Ten slotte staat een andere, nieuwe maatregel een snelle oplossing van dit probleem in de weg. Op aandringen van de Tweede Kamer heeft minister Blok op 1 februari een wetsvoorstel gepubliceerd dat een eind moet maken aan de automatische voorrangspositie voor vluchtelingen op de sociale huurmarkt. Gemeenten moeten dat straks zelf kunnen bepalen. Uit COA-cijfers bleek dat ongeveer 15.000 statushouders nog ten onrechte in azc’s zitten; die hadden moeten doorstromen naar een huurwoning in een gemeente.

Foto Robert Vos / ANP

In De Afrikaanderwijk in Rotterdam heeft 80 procent van de bewoners een niet-Westerse afkomst. Foto Robert Vos / ANP

3. Waarom worden nog steeds vrijkomende huurwoningen verkocht door woningbouwcorporaties? Dat terwijl de gemeenten niet hun doelstelling halen wat betreft de huisvesting van statushouders?
Dat vraagt Toon van Genugten uit Den Bosch.
De verkoop van (huur-)woningen is een belangrijke inkomstenbron van woningcorporaties. Het levert geld op dat wordt gebruikt voor renovatie en nieuwbouw. Ook wordt de verkoop gebruikt voor het betalen van de verhuurdersheffing. Deze in 2013 ingevoerde belasting op sociale verhuur maakt dat corporaties krapper bij kas zijn komen te zitten.

Tegelijkertijd worstelen gemeenten met hun ‘taakstellingen’: zij moeten elk half jaar voldoen aan een quotum van te huisvesten ‘statushouders’ – asielzoekers die inmiddels een verblijfsvergunning hebben. Gemeenten zijn voor die huisvesting afhankelijk van woningcorporaties.

Creatieve oplossingen zijn steeds vaker onderwerp van gesprek, zegt woordvoerder Tonny Dijkhuizen van Aedes, de branchevereniging van woningcorporaties. De helft van de woningcorporaties nam in 2015 ‘bijzondere maatregelen’ om statushouders te helpen, blijkt uit onderzoek van Aedes onder 142 corporatiebestuurders. Meestgenoemd: het uit de verkoop halen van sociale huurwoningen. Corporatie Portaal doet het in Utrecht, corporaties Kennemer Wonen, Woonwaard en andere in Alkmaar. Maar gemeenten kunnen corporaties hier niet toe dwingen. Dijkhuizen:

"Of een corporatie woningen uit de verkoop kan halen, hangt af van haar langer lopende afspraken met de gemeente, en van haar financiële positie.”

H. Omvang en verdeling AZC’s

1. Hoe groot zijn de meeste azc’s?
Ongeveer de helft van de 110 azc’s en opvanglocaties heeft een opvangcapaciteit voor maximaal vijfhonderd asielzoekers. Bijna een derde (ongeveer veertig) van de pakweg 110 azc’s en noodopvanglocaties kent een omvang van tussen de 500 en 1.000 bewoners. Een tiental heeft capaciteit van 1.000 en meer, zoals in Heumensoord bij Nijmegen. Het COA zegt in een azc van ongeveer 500 asielzoekers alle basisvoorzieningen (onderwijs, zorg, integratie, ondersteuning) te kunnen garanderen.

181215bin_opvang1000rh-960x1220

2. Zijn de opvanglocaties en azc’s eerlijk verspreid over het land?
Grosso modo wel, volgens onderzoek van RTL Nieuws. De opvangcentra die in oktober 2015 werden gebruikt, stonden in ongeveer evenveel rijke als arme wijken. Dat bleek uit een analyse op basis van de postcodes van de opvanglocaties. Van de (toen nog) 74 opvanglocaties bleek dat 16 ervan in de rijkste buurten staan en 16 in de armste buurten. 17 andere opvanglocaties staan in buurten die iets rijker zijn dan gemiddeld, terwijl 21 locaties staan in buurten die juist iets armer zijn dan gemiddeld.

Foto Remko de Waal / ANP

Hier, in natuurgebied Heumensoord, staat nu de grootste opvang van het land. Er is plek voor 3.000 asielzoekers. Foto Remko de Waal / ANP

3. Waarom nemen grote steden niet meer vluchtelingen op vergeleken met het platteland?
Dat vraagt een lezer die anoniem wil blijven. Ook Henk van der Veen uit Kubaard bracht deze kwestie op. Van der Veen had in een ingezonden brief in NRC van 13 februari kritiek op de beantwoording van vraag 19 in het vorige feitenstuk. De opvang mag misschien dan misschien wel eerlijk zijn verdeeld over arme en rijke wijken, het platteland wordt onevenredig vaak geconfronteerd met verzoeken door het COA voor opvang van asielzoekers.
Deze laatste indruk kan wat betreft de azc’s goed kloppen. Van de 52 asielzoekerscentra (azc’s) liggen er slechts acht in gemeenten groter dan 100.000 inwoners. De grootste azc’s, met plek voor meer dan duizend mensen, liggen meestal in landelijker gebied ver buiten de Randstad. Ter Apel. Hoogeveen. Weert. Gilze en Rijen.

Wat telt is snelle beschikbaarheid van gebouwen, eventueel eigen grond van de gemeente waarop een nieuw azc kan worden gebouwd, en lokaal draagvlak. Dat geldt zowel voor noodopvang (tot één jaar, circa 600 personen) als de opvang in een asielzoekerscentrum (meerjarig, 300-1.500 personen). Heeft een gemeente voor zulke opvang een geschikte plek én geeft ze groen licht, dan is een deal met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) een feit.

En het is een gegeven: er zijn meer leegstaande kantoorpanden, kazernes en gevangenissen buiten de Randstad. Meer ruimte ook voor nieuw te bouwen opvanglocaties. De grond is daar vaak goedkoper dan in de Randstad.
Voor noodopvang is het beeld anders. De meeste gemeenten met noodopvang behoren tot de dertig grootste plaatsen van Nederland: Den Haag. Utrecht. Haarlem. Groningen. Zwolle. In noodopvang verblijven meestal minder mensen dan in azc’s. Er is dus ook minder plek nodig, en dan komen (Rand)stedelijke gemeenten vaker in beeld.

Een eind november 2015 ondertekend bestuursakkoord tussen Rijk, provincies en gemeenten legt overigens de nadruk op spreiding. Elke provincie, dus ook die in de Randstad, moet zorgen voor 2.500 extra opvangplaatsen.

Vluchtelingen zoeken kleding uit die buurtbewoners hebben gebracht naast Sportcentrum Schuttersveld in Rotterdam, dat is ingericht als noodopvang.

Foto Robin Utrecht / ANP. Vluchtelingen zoeken kleding uit die buurtbewoners hebben gebracht naast Sportcentrum Schuttersveld in Rotterdam, dat is ingericht als noodopvang.

I. Leven in en rond azc’s

1. Wat is er bekend over het leven binnen het azc?
Veel. Een grote groep asielzoekers heeft in de loop der tijd haar ervaringen op schrift gesteld, zich laten interviewen of boeken geschreven. Thema’s die steeds weer opduiken zijn: dankbaarheid voor de geboden rust en veiligheid, het lange wachten en de daaraan verbonden verveling en irritatie, het gebrek aan privacy, de soms bureaucratische handelwijze van IND en COA-ambtenaren en het gebrek aan contact met de Nederlandse samenleving. Ook zijn er regelmatig spanningen tussen diverse groepen zoals moslims en christenen. Voor bewoners van azc’s die in gevangenisgebouwen zitten met medewerkers die uit het gevangeniswezen komen, komen er nog eens extra ergernissen bij.

2. Hoe worden binnen het azc de Nederlandse normen en waarden bijgebracht?
Op verschillende manieren. Allereerst hanteert het COA een set huisregels voor het leven in azc’s. Die vertonen veel overeenkomsten met algemene leefregels in de Nederlandse samenleving. Het gaat om omgangsvormen onderling, het schoon en leefbaar houden van de leefruimtes, bezoekregelingen, wapens en drugsbezit, en aansprakelijkheid.

Verder kondigde minister Plasterk (PvdA, Binnenlandse Zaken) in oktober 2015 aan dat gemeenten bij zijn ministerie exemplaren van de Nederlandse grondwet konden bestellen. Die konden ze uitdelen in de azc’s. Er waren zowel exemplaren in het Nederlands als in het Arabisch. Tot nu toe hebben slechts enkele gemeenten exemplaren besteld. Ten slotte gaat het kabinet de voorlichting aan asielzoekers over homo’s, homorechten en de omgang met homo’s opvoeren. Dit in reactie op diverse incidenten binnen azc’s waarbij homo’s werden belaagd door andere vluchtelingen.

3. Hoe ziet het dagelijks leven in een azc eruit?
Koken, wassen, recreëren en sporten asielzoekers zelf, vraagt een lezer die liever anoniem blijft. Hoe voorzien AZC-bewoners in hun dagelijks levensonderhoud?
In een asielzoekerscentrum hebben mensen meer privacy dan in de noodopvang. Gezinnen delen vaak een kamer, alleenstaanden moeten soms wel een kamer delen met een andere asielzoeker. In een azc hebben mensen hun leven meer in eigen hand dan in de noodopvang. Ze krijgen leefgeld voor eten en andere kosten en koken zelf.

Kinderen gaan naar school. Volwassenen mogen maximaal 24 weken per jaar werken als hun asielaanvraag langer dan een half jaar in behandeling is. Ze moeten de baan wel zelf vinden. Ze moeten een deel van de inkomsten afstaan aan het coa voor de kosten van de opvang. Het is ook mogelijk om klusjes op het asielzoekerscentrum te doen tegen een kleine vergoeding.

Asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen, wonen vaak nog een tijd in een asielzoekerscentrum omdat er meestal niet meteen een huis of woonruimte beschikbaar is. Zij kunnen wel verschillende cursussen en Nederlandse lessen volgen.
De verveling is groot in veel asielzoekerscentra. Lethargie de grootste vijand van de asielzoeker. Mensen liggen veel in bed, staan laat op en doen weinig. Jongeren trappen een balletje op een sportveldje in de buurt.

Het ligt aan de kracht, inventiviteit, opleiding en kennis van het Engels van de individuele asielzoekers in hoeverre ze dingen om handen hebben. Vaak zijn er vrijwilligers die sportactiviteiten, taallessen en uitstapjes organiseren. Zij zien dat ze een bepaalde groep bereiken en anderen het niet kunnen opbrengen. Vaak ook hebben asielzoekers last van trauma’s, opgelopen in het thuisland, waardoor ze in het verleden blijven hangen en niet in staat zijn naar de toekomst te kijken.

4. Wat mag er wel en niet in de noodopvang?
Nelleke Wuurman uit Utrecht schreef: "In de gemeenteraad werden positieve dingen gezegd over Nederlands leren (vrijwilligers stonden al te trappelen), allerlei activiteiten met buurtbewoners, werken. Volgens mij is dat niet aan de orde of vergis ik mij?”.
Allereerst is er een onderscheid tussen de crisisopvang (voor maximaal 72 uur) en de noodopvang (in principe voor enkele weken). In de crisisopvang worden veldbedden in sporthallen geplaatst zodat mensen in elk geval kunnen overnachten. Sinds eind januari zitten er geen vluchtelingen meer in de crisisopvang.

In de noodopvang zijn er iets meer faciliteiten en wordt geprobeerd meer privacy te creëren. Maar vluchtelingen kunnen er niet zelf koken, ze moeten douche en toilet delen met anderen en er zijn weinig activiteiten. De noodopvang is bedoeld voor enkele weken, maar door de grote aantallen mensen verblijven vluchtelingen er momenteel vaak langer. Het tentenkamp Heumersoord bij Nijmegen dat tot de zomer open zal blijven, is een noodopvang.

Er zijn veel vrijwilligers, vaak mensen uit de buurt, die zich bekommeren om de mensen in de noodopvang. Het hangt voor een groot deel van deze mensen af wat er voor de vluchtelingen te doen is. Er zijn bijvoorbeeld geen officiële taalcursussen, maar vaak bieden vrijwilligers taalles aan (waar Wuurman op doelt). Ook organiseren vrijwilligers andere activiteiten, zoals knutselen en sport. Kinderen onder de achttien jaar gaan zo snel mogelijk naar school, ook als ze nog in de noodopvang verblijven.

In de noodopvang kan niet zelf worden gekookt. Dat blijkt een van de grootste grieven, omdat het reeds klaargemaakt magnetron-eten niet altijd lekker wordt gevonden. Daarnaast, zo vinden vluchtelingen, verdrijft het boodschappen doen en eten bereiden de verveling en komen ze met Nederlanders in contact. In de noodopvang in Amsterdam-Zuidoost verblijven op het moment verschillende Syrische chefkoks. Zij vragen al weken of ze niet voor zichzelf en de andere bewoners zouden mogen koken.

In de noodopvang krijgen mensen geen leefgeld of zakgeld. Dat maakt ze afhankelijk van giften en de spullen die coa-medewerkers uitdelen, tenzij ze zelf geld hebben. „Dat je zelfs geen fles shampoo kan kopen, voelt heel onprettig”, zegt een asielzoeker.
Als de procedure van de asielzoeker in gang is gezet, gaan ze meestal naar een regulier asielzoekerscentrum (azc). Daar is meer privacy, krijgen mensen leefgeld, en kunnen ze zelf koken.

Foto Robin Utrecht / ANP

Vluchtelingen houden zich op bij tentenkamp Heumensoord, de tijdelijke noodopvang van het COA. Foto Robin Utrecht / ANP

5. Hoeveel vrijwilligers werken er binnen en bij azc’s? Wat doen ze daar? En hoeveel tijd besteden vrijwilligers eraan.
Dit vraagt Martin zich af.
Een heel lastig te beantwoorden vraag. Niet alleen omdat onduidelijk is hoeveel vrijwilligers actief zijn, ook omdat de aard van hun inzet sterk verschilt. Een grove schatting na een rondgang langs Rode Kruis, Vluchtelingenwerk Nederland, kerkelijke organisaties en moskeeën, leert dat het om tenminste enkele tienduizenden mensen gaat.

Er zijn duizenden vrijwilligers die soms meerdere dagen per week taallessen geven aan ouderen, helpen met het onderwijs aan kinderen, in een winkel voor tweedehandskleding staan, of activiteiten met asielzoekers organiseren. Minder bekend vrijwilligerswerk is het zogeheten tracen. Het Rode Kruis meldt dat zo’n 140 vrijwilligers actief zijn in azc’s met, zegt een woordvoerder, ,,het ondersteunen van contactherstel met familie - bijvoorbeeld door het faciliteren van 3minute calls met mobiele telefoons en gratis beltegoed. Ook gaat het om het helpen met het opsporen van zoekgeraakte familieleden in binnen- en buitenland”. De 140 mensen zijn niet continue allemaal tegelijk actief.

In het najaar van 2015 wierf het Rode Kruis ongeveer 8.000 vrijwilligers die hielpen bij het inrichten van sporthallen als noodopvang en Welkom Winkels bemanden (tweedehandskleding e.d.). De eerste groep is nu niet meer nodig. Inmiddels is de organisatie op zoek naar zo’n 1000 nieuwe EHBO-vrijwilligers, zo werd 22 februari bekend.

Foto Bart Maat / ANP

Vrijwilligers van het Rode Kruis sorteren de ingezamelde kleding voor vluchtelingen bij de Welkom Winkel. Foto Bart Maat / ANP

Vluchtelingenwerk Nederland laat weten dat er midden februari tussen de 8.000 en 9.000 vrijwilligers actief waren. Nog eens 13.000 nieuwe vrijwilligers staan klaar. Vluchtelingenwerk denkt een grote groep van hen nodig te hebben met de groei van het aantal asielzoekers. In de asielcentra en noodopvang geven vrijwilligers voorlichting over de asielprocedure, verwijzen naar de betrokken instanties en beantwoorden allerlei vragen in spreekuren. Ook helpen sommige vrijwilligers met het invullen van ingewikkelde formulieren. De vrijwilligers hebben regelmatig een juridische achtergrond.

Naast het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk zijn ook veel kerken en moskeeën actief in en rond azc’s. Een rapport uit 2010 (Kaski) over de hoeveelheid vrijwilligers die in kerkelijk verband actief zijn, maakte melding van de inzet van in totaal zo’n 176.000 personen op een veelheid aan gebieden. Het lijkt een veilige veronderstelling dat nu ten minste enkele tienduizenden van hen zich op de een of andere manier inzetten voor vluchtelingen.

Ook tientallen moskeeën hebben publiekelijk aangegeven actief te zijn met vrijwilligers. Het gaat daarbij onder meer om het leveren van korans, gebedskleden, gebedsruimtes, tolken en het bereiden van gemeenschappelijke maaltijden.

Ten slotte zijn er de vrijwilligers-nieuwe stijl. Touroperator Sunweb doet daarvoor een opmerkelijk aanbod. Voor 419 euro kunt u een weekendje van de zon genieten op een terras van een vier-sterren hotel op het Griekse eiland Lesbos en tegelijkertijd vluchtelingen helpen die op het strand aankomen. U moet zich melden bij de ngo Movement on the Ground, een initiatief van acteur Johnny de Mol.

J. Onderwijs en gezondheid

1. Wie heeft recht op onderwijs?
De Nederlandse leerplicht geldt ook voor asielkinderen. Dat betekent dat ze van hun vijfde tot achttiende jaar naar school moeten. Ouders kunnen hun kind echter al vanaf diens vierde levensjaar aanmelden. En volgens mensenrechtenverdragen zouden kinderen 72 uur na aankomst in Nederland al onderwijs moeten krijgen. Dat lukt echter lang niet altijd. Zeker gezien de snelle en grote toestroom vorig najaar kwam het onderwijs aan asielkinderen maar moeizaam op gang. Kinderen moeten daarvoor worden verspreid over scholen in de buurt. Soms in grote asielcentra, zijn er scholen binnen het azc zelf, zoals in Heumensoord bij Nijmegen. Het heen en weer slepen van kinderen tussen diverse centra beïnvloedt de schoolprestaties negatief.

Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Asielkinderen tijdens hun eerste schooldag De school biedt primair en voortgezet onderwijs voor de 565 kinderen van vluchtelingen die verblijven in de opvanglocatie van het COA. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

2. Hoe zit het met de verdwijning van kinderen?
Dat vragen Jilles Douwes uit Hasselt en E.J. van den Berg uit Rotterdam.
Kinderen zijn, samen met vrouwen, de kwetsbaarste groep binnen de migrantenstroom. Begin februari kwamen schokkende getallen naar buiten over verdwijning van deze minderjarigen. Volgens de Europese politiedienst Europol zouden van de 26.000 ‘unaccompanied minors’ die vorig jaar naar Europa kwamen, rond de tienduizend zijn verdwenen. Kinderombudsman Marc Dullaert die zelfs nog hogere getallen hanteerde, zei hierover:

"Veel van deze kinderen komen in de prostitutie, in de seksindustrie terecht, zowel jongens als meisjes. Of kinderen worden gedwongen tewerkgesteld, als een soort huisslaven."

Verdwijnen alleenstaande minderjarige Asielzoekers

Daarnaast kunnen er minder zorgwekkende redenen voor de vermissing zijn zoals het op eigen houtje afreizen naar familie of landgenoten in Europese landen. Sinds deze getallen naar buiten kwamen is hierover niet veel meer bekend geworden. Met name Unicef volgt de ontwikkelingen kritisch, liet Karin Kloosterboer van de werkgroep ‘Kind in azc’ in een mail aan de redactie weten.
Bij dit alles gaat het dus niet over de ongeveer tienduizend minderjarige asielzoekers die volgens het COA in Nederland geregistreerd staan. Het gaat om ongeveer een kwart van de hele opvang-populatie. Het zijn minderjarigen die alleen wonen of in gezinsverband.

3. Hoe zit het met de gezondheid van asielzoekers?
Asielzoekers hebben een hogere kans op zwangerschappen, abortussen, bepaalde chronische ziekten zoals diabetes en psychische problemen dan andere inwoners van Nederland. Dat bleek in 2014 uit promotieonderzoek van Simone Goosen (AMC) en onderzoek van Medische Opvang Asielzoekers. Bij asielzoekers komen tienerzwangerschappen relatief vaak voor. Daarnaast kiezen vrouwen die kort na aankomst in Nederland zwanger worden, vaker dan andere vrouwen in Nederland, voor een abortus. GGD Nederland rapporteerde een abortuscijfer dat vier keer zo hoog lag als bij Nederlandse vrouwen.

Uit de onderzoeken voor het proefschrift blijkt verder dat kinderen die frequent worden overgeplaatst naar anders azc’s vaker kampen met psychische of gedragsproblemen. Dat geldt ook voor kinderen van moeders die geweld hebben meegemaakt, een posttraumatische stressstoornis of een depressie hebben. Volwassen asielzoekers hebben verder een twee keer zo hoge kans op diabetes als gemiddeld in Nederland, aldus het onderzoek van Goosen.

4. Hoe zit het met het aantal illegalen dat zorg gebruikt en de toegang tot zorg voor illegalen?
Dat vraagt Maartje van Houdt uit Spijkenisse.
Alle illegalen in Nederland hebben gratis toegang tot alle zorg uit het basispakket. Dus wie bijvoorbeeld acute zorg nodig heeft vanwege een plotselinge, levensbedreigende situatie kan die zorg altijd krijgen. Ook worden illegalen getest op besmettelijke ziekten als tuberculose. IVF-behandelingen vallen niet onder de regeling. Voor abortussen bestaat wel weer een aparte subsidieregeling. De betaling van tandartskosten voor volwassenen haperde in het verleden ook wel eens , vertelt Wil Voogd van De Lampion, een stuurgroep van betrokken organisaties, (huisartsen, GGZ, verloskundigen etcetera).

De kosten worden betaald uit een fonds dat door de Rijksoverheid wordt gefinancieerd en dat bij aanvang 12 miljoen gulden bevatte. Inmiddels is dat volgens de jaarlijkse Monitor die wordt uitgebracht, meer dan 30 miljoen euro. Grote steden als Utrecht bijvoorbeeld, besteden extra aandacht aan de zorg voor illegalen. Ook zijn er veel ngo’s en kerken die zich bekommeren om hun gezondheid. Meer informatie is te vinden bij Zorginstituut Nederland.

Overigens zet De Lampion grote vraagtekens bij het getal van 35.000 illegalen dat volgens onderzoeksinstituut WODC in Nederland verblijft. Volgens de stuurgroep gaat het eerder om zo’n 100.000 illegalen. De grootste groepen illegalen waaraan zorg wordt verleend, komen uit Marokko, Turkije en Suriname. Een kwart tot een derde van de illegalen is vrouw. Jaarlijks worden er 1200 tot 2000 baby's geboren van ouders zonder verblijfsvergunning.

K. Criminaliteit en openbare orde

1. Wat is er bekend over (gewelds)incidenten op en rond azc’s?
Volgens politiehoofd Max Daniel moet de politie “vijf tot tien keer per dag” uitrukken voor een incident in of rondom een azc, zei hij in november 2015 tegen het AD. De politie kan deze hoeveelheid incidenten qua mankracht goed aan. Daniel:

“Per regionale politie-eenheid gaat het gemiddeld om één incident per dag. De kleinste eenheid heeft 4000 agenten. Het is dus niet zo dat we overvraagd worden.”

Het zou vooral gaan om vechtpartijtjes tussen jongeren binnen de azc’s. Vaak zijn er meisjes en/of drank in het spel, zei de politiecommandant. “In veel gevallen staan Syrische jongeren tegenover Eritreërs.” Verder zijn er soms botsingen tussen islamitische en christelijke asielzoekers. Een minderheid van de gevallen betreft bekladdingen van azc’s door tegenstanders van de vluchtelingenopvang.

Daarnaast haalden diverse incidenten van aanrandingen en andere seksuele aard de publiciteit. Op diverse plekken in het land werden homoseksuele vluchtelingen belaagd door medevluchtelingen (onder meer in de grote opvanglocaties Heumensoord in Nijmegen). In het centrum van Almere randde een groepje asielzoekers september vorig jaar op drie verschillende momenten vier meisjes aan. Twee van de inwoners van het azc in Almere worden hiervoor vervolgd.

Ten slotte zijn er “signalen van mensenhandel en mensensmokkel rond azc’s in Nederland”, aldus een woordvoerder van de Nationale Politie. De politie kondigde op 22 januari aan speciale interventieteams rond azc´s te gaan inzetten om te proberen mensensmokkelaars op heterdaad te betrappen.

Het overzicht van incidenten in en rond azc’s dat staatssecretaris Dijkhoff op 30 januari 2016 publiceerde, bevestigt grosso modo bovenstaand beeld. Volgens het overzicht rukte de politie 1.115 keer uit voor overlast, 377 keer voor mishandeling, 255 keer voor diefstal, 55 keer voor een zedenmisdrijf – vaak binnen het asielzoekerscentrum (azc). Opvallend getal in het overzicht dat Dijkhoff stuurde was dat van 369 gevallen van hongerstakingen, zelfverminking en pogingen tot zelfmoord in 2015.

Foto Robin Utrecht / ANP

Vluchtelingen houden zich op bij tentenkamp Heumensoord, de tijdelijke noodopvang van het COA. Foto Robin Utrecht / ANP

2. Hoe wordt de grote werkdruk op politieagenten in de hand gehouden, gezien de nieuwe taken die met de vluchtelingenstroom op hen afkomen?
Dat vroeg een lezer uit Munstergeleen die anoniem wil blijven. Uit de mail bleek twijfel over de stelling zoals die van politiechef Max Daniel uit november, dat de politie de dagelijkse incidenten binnen en rond azc’s goed aan kan.
Een belangrijke vraag, in elk geval wat betreft de politie. Het beeld van vorig najaar dat de politie de incidenten binnen en rondom azc’s goed aankan, lijkt namelijk te kantelen. Inmiddels gaat tien procent van het politiewerk op aan bemoeienis met incidenten binnen en rond azc’s, zei voorzitter Sanna Eichhorn van de Vereniging van Middelbare en Hogere Politieambtenaren (VMHP) op 26 januari in De Telegraaf.

"Dat betekent dat een kleine 6000 medewerkers niet voor andere taken kan worden ingezet.”

Staatssecretaris Klaas Dijkhoff erkende in een Tweede Kamerdebat over het asielbeleid (13 februari) dat het "vanzelfsprekend veel werk voor de politie [is] om de openbare orde te handhaven.” Hij kwam echter op een aanmerkelijk lager aantal politieagenten uit dan Eichhorn.

Dijkhoff zei in de Tweede Kamer:

"Er zijn nu zo'n 1.500 tot 2.000 agenten mee bezig, wat niet weinig is. Op dit moment leidt het nog niet tot grote problemen, maar je moet wel herprioriteren.”

Dijkhoff zei niet welk politiewerk blijft liggen als gevolg van de grotere inzet in en rond azc’s.

Overigens vroeg E.J. van den Berg uit Rotterdam zich af waar de meeste incidenten zich afspelen, binnen of buiten de azc’s. Dat is immers voor de beeldvorming rond de overlast van asielzoekers van groot belang. Het antwoord is dat het overgrote deel zich binnen de azc’s afspeelt. Het COA registreerde achtduizend incidenten rond azc's in 2015. In de meeste gevallen (5.072) ging het om het overtreden van huisregels (geluidsoverlast, afplakken brandmelder) maar ook om minder onschuldige incidenten zoals het molesteren van iemand met een ander geloof. Ook werden 369 'zelfdestructieve acties' opgetekend, waarbij het bijvoorbeeld gaat om hongerstakingen of zelfverminking binnen het azc.

3. Hoe gaat het lokaal bestuur om met incidenten binnen azc’s?
Wisselend. Over het algemeen bestaat er grote weerstand onder lokale bestuurders om incidenten, vergrijpen of strafbare handelingen van asielzoekers naar deze groep te herleiden. Dat verkleint het draagvlak voor een azc binnen een gemeente, en stigmatiseert asielzoekers, vrezen bestuurders.

Tegelijkertijd is een verschuiving en kentering in deze houding gaande. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gemeenten met asielzoekers die worden verdacht van zedendelicten zoals in Almere en Amsterdam. De burgemeester van die laatste gemeente, Eberhard van der Laan, kondigde aan regelmatig overzichten van incidenten binnen azc’s te gaan publiceren. Het kabinet heeft inmiddels besloten hetzelfde voor het hele land te gaan doen. Bernt Schneiders, voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters, riep burgemeesters op tot meer openheid op incidenten in en rond azc’s.

Lees ook: Een interview met Jos van Wienen, burgemeester van Katwijk. ‘Incidenten asielzoekers apart melden stigmatiseert’

4. Wat gebeurt er met criminele asielzoekers?
Na ernstige delicten wordt hun asielverzoek geweigerd. Voor de grootste groep asielzoekers lag de grens voor deze ernstige delicten op anderhalf jaar gevangenisstraf. Staatssecretaris Klaas Dijkhoff verlaagt die grens binnenkort naar zes maanden. Een Europese asielrichtlijn schrijft voor dat landen pas asiel aan vluchtelingen mogen weigeren als zij veroordeeld zijn voor een “ernstig misdrijf” of als ze een gevaar zijn “voor de veiligheid” van het land.

Maar: vervolgens kunnen de asielzoekers vaak niet worden teruggestuurd. Volgens het mensenrechtenverdrag EVRM mag je een vluchteling niet terugsturen naar een land waar die zijn leven niet zeker is. Aangezien ze hun verblijfsrecht wel zijn verloren, belanden deze mensen vaak in de illegaliteit.

5. Van hoeveel asielzoekers is ontdekt dat ze een vals paspoort hadden?
Dat vraagt Coby Nieuwpoort uit Oud-Beijerland.
Hier zijn geen duidelijke cijfers over. De Koninklijke Marechaussee heeft wel totaalcijfers, die gaan over alle controles die zij uitvoert langs landsgrenzen, op Schiphol, bij havens en bij aanmeldcentra voor asielzoekers. Vorig jaar ontdekte de marechaussee 405 valse paspoorten en 229 valse id-kaarten. Het is niet duidelijk hoeveel van deze documenten zijn ingenomen van asielzoekers. Het meest vervalste paspoort was het Britse, daarna het Syrische en vervolgens het Franse. De marechaussee wil niet zeggen hoeveel valse Syrische paspoorten ze vorig jaar heeft ontdekt.

6. Zitten er terroristen onder de asielzoekers?
Daarvan is tot nu toe in Nederland niets gebleken. Wel toonde antiterreurdienst NCTV zich in zijn laatste dreigingsanalyse bezorgd over het feit dat Europese inlichtingendiensten niet goed zicht hebben op de grote vluchtelingenstromen. De NCTV in november 2015:

“Door de grote toestroom in de Schengenzone is het internationaal niet mogelijk alle personen nauwkeurig te identificeren en te screenen.”

Na de aanslagen van 13 november in Parijs zijn registratie en identificatie van asielzoekers geïntensiveerd. Zo is de politie bij alle asielzoekers vingerafdrukken gaan afnemen. Alle nieuwkomers worden bij binnenkomst in Nederland gefouilleerd en hun bagage doorzocht. Ook worden vingerafdrukken afgenomen en mag de politie mobiele telefoons controleren. De afdeling ‘speciale zaken’ van de IND heeft “een aantal mensen in onderzoek genomen”, aldus de dienst.

7. Klopt het beeld (in de media) dat het verzet tegen de vestiging van azc’s groeit?
Uit onderzoek (december 2015, pdf) bleek dat een meerderheid van Nederlanders de komst van azc’s in hun gemeente accepteert. Vier op de tien Nederlanders (42 procent) vinden het sowieso acceptabel als er in hun gemeente een azc komt, bleek uit onderzoek van IResearch en de Universiteit Twente Nog eens drie op de tien (29 procent) vinden dit acceptabel, maar wel onder voorwaarden. Daarbij gaat het vaak om en zorgvuldige (inspraak) procedures en de omvang van het azc. Een op de vijf (21 procent) is hoe dan ook tegen de komst van een azc in hun gemeente.

Wel is de strijd van tegenstanders van azc’s aan het verharden. Diverse burgemeesters, wethouders en raadsleden kregen de laatste maanden doodsbedreigingen. Een wethouder ontving midden januari een kogelbrief, bij een huis van een Syrisch gezin in het Noord-Brabantse Veen vloog een steen naar binnen; een politieauto ging in vlammen op. In het grootste deel van de gemeenten verloopt de vestiging van een opvanglocatie zonder rellen zoals in Geldermalsen of Heesch, maar vrijwel overal is stevige discussie. Ook wordt de omvang van een beoogd azc regelmatig naar beneden bijgesteld.

8. Wat veroorzaakt de protesten die herhaaldelijk op televisie te zien zijn?
Er waren felle protesten tegen plannen voor grote azc’s (groter dan 500 bewoners) in middelgrote of kleine gemeenten. Die worden er bij de lokale gemeenschap ook nog eens in korte tijd doorheen ‘gejast’, zo is het gevoel. Dat was bijvoorbeeld het geval in Geldermalsen. Daarnaast is er de angst voor de veiligheid in en rond een azc. Ook bestaat er vrees voor de komst van een nieuwe onderklasse die een groot beslag legt op bijvoorbeeld de sociale woningmarkt en andere collectieve voorzieningen. Tenslotte bestaan er al langer allerlei grieven in veel wijken en buurten tegenover het bestuur van een gemeente waar een azc komt. Het gaat dan bijvoorbeeld over achterblijvende investeringen in buurtfaciliteiten. De ingrijpende bezuinigingen sinds 2010 op bijvoorbeeld ouderenzorg, jeugdzorg en thuiszorg treffen vooral de lagere inkomensgroepen. De komst van een azc ontwikkelt zich mede daardoor tot kristallisatiepunt van onvredegevoelens. De PVV in de Tweede Kamer (#kominverzet), en de krachtige werking van sociale media als Facebook, jagen het protest verder aan.

Hoe vaak wordt op social media over asielzoekers gesproken? En hoe is het sentiment? Hoe negatiever het getal, hoe negatiever de teneur.

L. Europa

1. Welk beeld hebben migranten van Europa als ze hier aankomen?
Dat vraagt onder anderen P. van den Bosch uit Alkmaar zich af. Is dat beeld niet te rooskleurig, schrijven diverse lezers.
Niet wat betreft de veiligheid en welvaart waarop vluchtelingen afkomen. Die zijn beduidend groter dan de streken (Midden-Oosten, Afrika) waar de meesten vandaan komen. Dat zijn belangrijke redenen om de lange reis te ondernemen. Wat wel zou kunnen tegenvallen zijn de lengte van de procedure, de mogelijkheden tot gezinshereniging en de situatie in veel opvangcentra (gebrek aan privacy, spanningen tussen religieuze en/of etnische groepen).

De asielprocedure wordt steeds langer (niet meer een half jaar maar maximaal 15 maanden), en de gezinsherenigingsregels worden ook strakker. Ook de werkgelegenheid kan tegenvallen. De concurrentie aan de onderkant van de arbeidsmarkt is zeer groot, zeker na de komst in de laatste tien jaar van goedkope arbeidskrachten uit Oost-Europa.

De Nederlandse regering doet diverse pogingen om mensen die erover denken naar Nederland te migreren, in hun eigen land 'eerlijk te informeren', zegt een woordvoerder van Buitenlandse Zaken. Zo gaf het kabinet subsidie voor 410.000 euro aan het project Surprising Europe. Voor de website werden filmpjes gemaakt met gedesillusioneerde Afrikanen in Europa. De filmpjes werden uitgezonden op Al Jazeera in meer dan 15 herkomstlanden, zoals Ghana, Democratische Republiek Congo, Kenia, Sierra Leone, Angola, Rwanda, Nigeria, Ethiopië, Tanzania, Zuid-Soedan, Eritrea, Irak en Armenië. Teksten als 'A Terrible situation' en 'Racism and other culture shocks' moeten duidelijk maken dat het leven in Nigeria of Oeganda wellicht toch te preferen valt boven een Bijlmerflat. Daarnaast waren er echter ook verhalen van migranten die een succesvol bedrijf zijn begonnen in Nederland.

Verder kwamen de twee brieven in het nieuws die staatssecretaris Klaas Dijkhoff aan bewoners van azc’s stuurde. Beiden waren bedoeld om het beeld van Nederland bij te stellen voor achtergebleven familieleden en vrienden van de asielzoekers. In de laatste brief van begin februari, vertaald in onder meer het Engels, Frans en Arabisch, wees Dijkhoff opnieuw op de lange wachtijden en op de eigen bijdrage die (vermogende) asielzoekers voor de opvang moeten betalen. Vluchtelingenwerk sprak van een “afschrikbrief.”

2. Naar welke Europese landen willen vluchtelingen zelf graag?
Michal Karczemski uit Amsterdam, die een masterthesis schreef over migratie uit Polen, heeft kritiek op de veronderstelling in vraag 30 van de vorige editie dat de druk op Nederland hoog blijft omdat andere Europese landen niet meer asielzoekers zouden willen opnemen. Ook als die centrale verdeling er wel zou zijn, zou Nederland een populaire bestemming blijven, schrijft hij. Europa biedt immers vrij verkeer van personen? "Asielzoekers die naar Europa komen kiezen geen armere landen zonder sociale voorzieningen, waar zij van tevoren weten dat hun kansen op een goede start nihil zijn”, aldus Karczemksi.

Engeland en Duitsland behoren tot de populairste bestemmingen van asielzoekers. De taal, werkgelegenheid, de aanwezigheid van veel landgenoten en de voorzieningen spelen daarbij een rol. Scandinavische landen waren ook populair maar sinds de restricties die landen als Zweden heben opgelegd, is dat veranderd.

Nederland is wat minder populair gezien het restrictieve toelatingsbeleid , in elk geval vergeleken met Duitsland. Toch oefenen welvaart, veiligheid, goede (opvang-)voorzieningen, de aanwezigheid van familie en landgenoten (Afghanistan, Iran, Irak, Syrië) en kennis bij veel Nederlanders van de Engelse taal hun aantrekkingskracht uit. Dit laatste in tegenstelling tot bijvoorbeeld Polen, zoals Karczemski al stelt.

Toch gaat het kabinet ervan uit dat meer centrale regie binnen de EU - en verdeling van 160.000 asielzoekers binnen alle EU-lidstaten zoals ook Polen - de druk van de asielstroom op Nederland kan verlichten. Dat geldt zeker als die verdeling over alle EU-lidstaten een verplichtend karakter krijgt, en vluchtelingen die aan Polen worden toegewezen, daar dan ook moeten worden opgevangen.

3. Moet in Europese vergelijkingen tussen lidstaten die vluchtelingen opvangen, niet meer rekening worden gehouden met de bevolkingsdichtheid?
Dat vraag R.A. Pekelharing-Rost-Onnes uit Bussum. Ze reageerde op de gegevens uit het vorige overzicht waarbij aantallen vluchtelingen alleen worden gerelateerd aan aantallen bewoners van het land.
Het rekening houden met bevolkingsdichtheid ligt voor de hand- en wie nog completer wil zijn zou daar ook nog het Bruto Nationaal Product aan kunnen toevoegen. Vluchtelingenopvang in dichtbevolkt landen als Nederland of België lijkt minder mogelijkheden te bieden dan EU-lidstaten met uitgestrekte landelijke gebieden met een hoog welvaartsniveau zoals in Scandinavië en Duitsland.

Anderzijds is het een misverstand om te denken dat vluchtelingenopvang gemakkelijker verloopt in landen met veel platteland. Het moet wel om bewoonbaar gebied gaan. De opvangcentra dienen aansluiting te hebben met een infrastructuur (wegen, water, electriciteit) en sociale netwerken, dat laatste om integratie een kans te geven. Statistisch is het lastig om bewoonbare gebieden zo te definieren dat die onderling vergelijkbaar zijn.

Het laatste complete overzicht van asielcijfers over 2015 dat de IND gaf, bevat niettemin een overzicht van het aantal asielaanvragen, gerelateerd aan de omvang van het land. Daarin scoort Malta het hoogste (2.294 aanvragen per 1000 vierkante meter). Hongarije en Duitsland volgen. Nederland neemt de zesde plaats in met 209 aanvragen per 1000 vierkante kilometer. Dat betekent dat Nederland wat hoger in de Europese ranglijst eindigt als met de oppervlakte van het land rekening wordt gehouden.

4. Waar staat Nederland in de hele Europese rangorde?
Coby Nieuwpoort uit Oud-Beijerland vond het relevant om Nederland niet alleen met extremen (Zweden, Duitsland) te vergelijken (zoals in de eerste editie gebeurde) maar met alle EU-lidstaten.
Er bestaan geen overzichten met recente cijfers van alle Europe landen. Wel is er overzicht van vijftien Europese landen die cijfers over heel 2015 leverden. Daarin wordt het aantal asielaanvragen gerelateerd aan het aantal inwoners. In het overzicht staan Hongarije en Zweden bovenaan (respectievelijk 1771 per 100.000 inwoners en 1601) . Nederland zit met 255 aanvragen per 100. 000 inwoners ergens in het (lage) midden. Het Verenigd Koninkrijk en Polen zijn met respectievelijk 58 en 27 aanvragen per 100.000 inwoners hekkesluiters.

Migratiedeskundige Flip van Dyke wees op de grote onderlinge verschillen in definitie van asielzoekers tussen Europese landen. Hij had kritiek op de Europese vergelijking in de vorige editie van dit project omdat volgens hem appels en peren met elkaar worden vergeleken. Eerste asielaanvragen, aanvragen voor gezinshereniging en tweede asielaanvragen worden niet goed uit elkaar gehouden.

Van Dyke heeft gelijk. De Europese vergelijking gaat door verschillende definities op verschillende onderdelen mank. Wel geeft ze een globaal beeld van de rangorde, iets waaraan veel lezers behoefte blijken te hebben.

Hongarije is een goed voorbeeld van de statistische problemen in Europese vergelijkingen. In 2015 was het land lange tijd, voordat de grenzen na de zomer dicht gingen, een ‘transitoland’ voor vluchtelingen. Er werden bijna 175.000 asielaanvragen genoteerd, reden waarom het land bovenaan stond in de lijst van landen met relatief de meeste asielaanvragen. Maar het leeuwendeel van de aanvragen werd niet of nauwelijks in behandeling genomen, omdat de vluchtelingen het land alweer hadden verlaten.

5. Wat staat Nederland (en Europa) qua migratie nog te wachten, gelet op de stromen migranten uit de Sahel en de houding van Turkije?
Dat vraagt Hein Coebergh uit Aerdenhout.
De explosieve groei van de vluchtelingenstroom naar Europa is voor een belangrijk deel terug te voeren op de oorlog in Syrië en Irak. Die is voorlopig niet van de baan. Sommige experts voegen daar ook nog klimaatveranderingen bij waarbij grote groepen verdroogde gebieden proberen te ontvluchten, zowel vanuit het Midden-Oosten als vanuit Afrika.

Vorig jaar kwamen ongeveer 885.000 mensen via die gevaarlijke oostelijke route in Griekenland aan, ruim vier keer zoveel als in 2014. Die vluchtelingenstroom zal dit jaar misschien verminderen (door het afschermen van de Europese grenzen en afspraken met Turkije over regionale opvang), maar zeker niet ophouden. De gespannen situatie in Turkije - onder meer als gevolg van bomaanslagen en de spanningen met de Koerden, helpt daarbij niet. Dit jaar (per 22 februari) hebben meer dan 90.000 vluchtelingen de oversteek gemaakt. Daarbij vielen 321 doden.

Daarnaast is er de oversteek van Noord-Afrika naar Italië. Die route is minder belangrijk geworden, maar voornamelijk in relatieve zin. Volgens schattingen van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) trokken vorig jaar zo´n 120.000 Afrikaanse jongeren via Agadez in Niger op weg naar Europa om daar hun geluk te beproeven, 20.000 meer dan het jaar ervoor. Die hunkering om te ontsnappen aan armoede, gebrek aan banen en droogte in eigen land zal blijven. De chaotische situatie en burgeroorlog in Libië maken het moeilijk om greep te krijgen op deze route.

In 2015 maakten bijna 154.000 asielzoekers de oversteek richting Italië. Dat is weliswaar 16.000 minder dan in 2014, maar dat komt waarschijnlijk doordat migranten zijn uitgeweken naar de ‘oostelijke´route. Dit jaar zijn er (tot 19 februari) al bijna 7.200 bootmigranten aangekomen in Italië, en ligt het dodental op 90.
Alles bij elkaar kwamen er het laatste jaar ruwweg een miljoen asielzoekers naar Europa. Wereldwijd is er sprake van ongeveer zestig miljoen ontheemden.

Dit is de tweede editie van het vraag/antwoord-project: De draad kwijt? Over asielzoekers, asielcentra en asielbeleid. Aan deze tweede editie werkten mee: Wim Brummelman, Maarten Huygen, Sheila Kamerman, Martin Kuiper, Christiaan Pelgrim, Mirjam Remie, Kees Versteegh (coördinatie) en Ingmar Vriesema. De eerste editie vind je hier.