De dokter en de dood

Het paard hinnikte luid terwijl ik het met mijn zweep aanspoorde, een houten kar achter zich aan trekkend. Ik moest moeite doen om rechtop te blijven zitten, maar nu was niet het moment om mij daar zorgen over te maken. Toen die ochtend de eerste haan gekraaid had was er een boodschapper te paard aangekomen, ruiter en dier beiden gebroken van de lange tocht. Livina, de dochter van een rijke koopman uit Smolensk, was dodelijk ziek geworden.
‘M- Mijnheer Wolski,’ had de jongeman gestameld, ‘ze is al dagen aan haar bed gekluisterd. Elk geluid, elk licht al is het kaarslicht, elke beweging bezorgen haar ondraaglijk veel pijn. Ze weigert te eten of zelfs maar te praten!’ Terwijl mijn bedienden zich over de boodschapper en zijn merrie ontfermden, laadde ik gejaagd kruiden, zalfjes en poeders in mijn kar.
Ik moest mij haasten, want van mijn dorp tot Smolensk was het een halve dag reizen te paard.
Het groen flitste voorbij, het eindeloze groen, tot, plots – rook steeg op boven de eeuwenoude bomen. Ik liet de teugels vieren zodat mijn paard het tempo kon bepalen, en met een rustig drafje reed ik het dorp binnen. Het huis van de koopman had drie verdiepingen, een klokkentoren en was rijkelijk versierd met houtsnedes. Een stalknecht rende naar buiten om voor mijn paard te zorgen, terwijl een rood aangelopen dienstmeid die haar beste jaren al gezien had mij naar binnen leidde.

Niets had mij kunnen voorbereiden op het gezicht van een volwassen man, verwrongen van verdriet. Tussen zijn vingers was een rozenkrans vervlochten. Hij prevelde koortsachtig gebeden, tot hij mij zag en opsprong. ‘Mijnheer Wolski! Dank u dat u zo snel kon komen. Ze ligt in de kamer hiernaast..’
Het meisje dat in bed lag leek haast op een verwelkte bloem, haar lange haren om haar heen waaierend en haar huid wit als alabaster. Ik sloot de deur achter mij.
Met mijn hand voelde ik haar voorhoofd: ze had koorts, en ademde moeizaam. Livina’s lippen hadden een blauwe ondertoon.. snel keek ik naar haar vingers, en merkte dat dezelfde verkleuring daar aanwezig was, alleen veel donkerder. Cyanose?

Ik voelde Haar voordat ik Haar zag.
Ze voelde als de kilte van de ochtend en als de bitterheid van de winter, als de vredige slaap waarin je wegzakt wetend dat je nooit meer zal ontwaken. Haar gestalte rees uit de schaduwen op, een uitgemergelde vrouw gehuld in kleding zwart als inkt. Ik herkende Haar: dit was de menselijke gestalte van de Dood. Ze kon hier alleen maar om een reden zijn.
De stem van de Dood klonk als het geruis van bladeren: ‘Je bent te laat, haar tijd is gekomen. Om klokslag vijf uur kom ik hier terug, en neem ik haar leven. ”Nee,wacht!’ riep ik, maar Ze was al verdwenen. Het was half vijf, ik had geen tijd te verliezen.
Met een vijzel verpulverde ik knoflookextract en Aziatische kruiden tot een poeder.
Ik verdunde het met water en zette een beker met het mengsel aan haar lippen.
Ze slikte met moeite, maar liet verder geen enkel teken van leven zien.
Ik wachtte. In de allesomvattende stilte hoorde ik alleen het getik van een klok.. had ik maar meer tijd! Wat als ik.. nee, dat zou nooit kunnen werken, toch? Hoe irrationeel het ook was, met mijn vinger duwde ik de wijzers van de klok een uur terug. Het getik stopte. De rest van de tijd probeerde ik nergens aan te denken, en deed ik alles wat ik kon om het meisje te helpen.
Ik legde een natte doek op haar voorhoofd, smeerde haar nek en polsen in met eucalyptusolie en opende het raam. Haar ademhaling ging soepeler. Ze opende moeizaam haar ogen.
Met elke ademteug voelde ze zich zichtbaar beter.

Met een gevoel van opluchting en een zak vol gouden munten verliet ik het huis van de koopman.
Ik hoefde mij nu niet meer te haasten, dus toen ik door het dichte bos terug naar huis reed nam ik de tijd om het te bewonderen.
De takken van de bomen krulden omhoog in sierlijke bogen, tussen hen hingen slingers mist en rondom mij – stilte.
De enige geluiden waren mijn ademhaling, de stappen van mijn paard en het aanzwellende geluid van krekels. De grond werd drassiger en de mist dikker.
Witte bloemen rezen op naast het pad, hun zoete geur bedwelmend.
Ik stak mijn lantaarn aan. Hoe kon het nu al zo donker zijn?
Omsloten door de dichte mist zag ik geen enkele boom meer, maar overal bloeiden de witte bloemen op uit de modder. Lelies.
Ik wist zeker dat ik het juiste pad gevolgd had, maar dit gedeelte herkende ik niet.
Mijn paard was nerveus en leek niet verder te willen gaan.
In de verte zag ik een lichtje branden..mijn dorp?
Ik spoorde mijn paard aan, hoe sneller we hier weg zouden zijn hoe beter.

Een schok veerde door mijn lichaam toen plotseling mijn paard tot zijn knieën in de grond wegzakte, de kar schuin trekkend. De wielen van de kar begonnen weg te zinken.
Alle haren in mijn nek gingen overeind staan. Blijf kalm. Ik keek om mij heen – er was geen spoor meer van het pad! Mijn ademhaling versnelde, de teugels glipten een paar keer uit mijn handen terwijl ik mijn paard om probeerde te laten keren. Met elke beweging van het paard zakten we verder weg.
Een schim verscheen boven het oeverloze moeras. Ze keek emotieloos toe terwijl ik steeds dieper het moeras in gezogen werd, al tot mijn middel in de modder.
Klokkengeluid weerklonk in de leegte, en terwijl ik de slagen telde voelde het alsof er ijskoud water over mij heen liep. Een.. twee.. De tijd leek vertraagd te worden, elke slag uitgerekt tot een oneindig ogenblik. drie.. vier.. God nee.. Vijf.