Altijd een schietvest aan, altijd een opgeladen telefoon

(63) was als jongen de hoeder van zijn vader, als die met een zak geld op pad was. Van de alertheid die hij toen ontwikkelde, profiteert hij als politieman. ‘Ik ben niet bang aangelegd, maar denk wel veel over veiligheid na.’

Foto: Andreas Terlaak

"Weet u wat een riek is? Zo’n grote vork met smalle tanden. Daar hebben ze mijn vader weleens mee van het erf gestuurd.”

Als Cees Pasmans (63) pijnlijke voorvallen uit zijn jeugd beschrijft, toont hij weinig emotie. „Wij zijn niet zo snel ondersteboven”, zegt hij halverwege het gesprek. Cees heeft een vrouw en twee volwassen dochters, maar als hij ‘wij’ zegt, bedoelt hij zijn ouderlijk gezin.

Cees is de achtste van elf kinderen. Afkomstig uit een katholiek gezin van eenvoudige komaf uit het Brabantse Westelbeers. Dat zijn moeder Lena reuma kreeg, is vermoedelijk aan al die zwangerschappen te wijten, maar ze had haar zeven dochters en vier zoons allemaal even lief.

Terug naar die riek. Want Cees mag dan niet snel ondersteboven zijn, zijn kinderjaren verklaren wel waarom hij op zijn drieëntwintigste politieman werd en dat na veertig jaar nog steeds is. Hij had al jong een groot verantwoordelijkheidsgevoel en ziet het helpen van zijn medemens als een roeping. 

De vader van Cees was meelhandelaar. Daar waren duizenden guldens mee gemoeid en sommige klanten konden de kosten bij nader inzien niet ophoesten. In die tijd bestond er nog geen deurwaarder, alles ging in goed vertrouwen. Als Frans Pasmans op hun erf verscheen, kwam de riek tevoorschijn.

Westelbeers was een slaperig gehucht, maar van de meelhandelaar was bekend dat hij altijd een geldtas bij zich droeg. Op een dag – Cees was 15 jaar – werd Frans Pasmans klemgereden. Hij zette zijn Volkswagenbusje in z’n achteruit en reed met grote snelheid naar huis.

Vanaf die dag was Cees de hoeder van zijn vader. Hij reed vier jaar lang mee in het Volkswagenbusje en sjouwde soms achthonderd zakken meel op een dag. Het kwam geregeld voor dat zijn moeder naar de directeur van de mulo belde: mag Cees even komen lossen?

Iedereen dacht dat Frans Pasmans zo oud als de oudste Pasmans zou worden: 108. Hij was groot, sterk en had schoenmaat 47. Maar de laatste tien jaar van zijn leven – hij werd 72 – tobde hij met een longziekte. Veel mensen van de plaatselijke boerenbond werden in de tweede helft van de vorige eeuw ziek. De kinderen van Frans denken dat het fijnstof van het meel hem fataal werd.

Over het overlijden van zijn vader kan Cees kort zijn: het had „heel veel impact”. Cees neemt een slokje van zijn koude koffie en beschrijft hoe hij naar het sterfbed van zijn vader racete – hij had net daarvoor zijn dochter op schoolkamp afgeleverd. „Ik arriveerde als laatste en tien minuten later was ons paps overleden.”

Zijn moeder overleed op haar 87ste. Een aardige vrouw die goed kon delegeren. Toen de begrafenisondernemer vroeg wie haar naar de koelcel wilde brengen, staken Cees en zijn broer Gerard beiden hun hand op. „Ze was nog maar anderhalf uur dood. Dan voel je nog echt de warmte van je moeder hè.”

Frans en Lena zijn naast elkaar begraven in Middelbeers. Hun kinderen hebben veel aandacht aan het graf besteed. Ze wilden hun ouders een waardig afscheid geven, met alle katholieke rituelen die erbij horen.

Op de vraag of hij ergens spijt van heeft, fronst Cees zijn wenkbrauwen. Waar zou hij spijt van moeten hebben? Hij is tevreden over alle dingen die hij in zijn leven heeft gedaan. En aan de dingen waarop je als mens geen invloed hebt – zoals het sterven van een ouder – moet je weinig woorden vuil maken.

Eén ding heeft Cees zich weleens afgevraagd: hoe had zijn leven eruitgezien als hij na de mulo de wens van zijn moeder had ingewilligd? Zij wilde dat hij op het gemeentehuis ging werken. „Ze had een baan bij de burgemeester geregeld, maar ik zei dat ik buiten wilde werken.”

En dus werd Cees na zijn militaire dienst politieman. Hij was onder meer wachtmeester, inlichtingenrechercheur, brigadier en groepscommandant bij de mobiele eenheid. Sinds acht jaar is hij wijkagent, een functie die hij tot aan zijn pensioen wil vervullen.

Cees heeft meerdere lessen uit zijn jeugd in zijn werk meegenomen. Maar de belangrijkste is toch wel dat je alert moet zijn. „Ik ben niet bang aangelegd, maar denk wel veel over veiligheid na. Als ik het bureau verlaat, zorg ik dat ik een schietvest aan heb en dat mijn mobiele telefoon is opgeladen. Ik ben heel secuur en gedisciplineerd.”

Zijn vrouw Bernadette is even waakzaam als hij. Cees vertelt dat zij een keer werd aangerand in Berkel-Enschot. Haar belager vluchtte in een rode Mini. Toen Bernadette de man later zag rijden, schakelde ze de politie in. Dankzij haar oplettendheid werd hij gearresteerd.

Na de massale aanrandingen in Keulen is het voor vrouwen nóg belangrijker geworden dat zij aan hun weerbaarheid werken, vindt Cees. „Seksuele delinquenten zijn net dieren. Als vrouwen kwetsbaar ogen, zijn ze een potentiële prooi.” Met zijn dochters oefent hij zelfverdedigingstechnieken. Tot vervelens toe. „Het is niet dat ik ze bang wil maken, maar ik wil wel dat ze in deze tijden alert zijn.”

Cees gaat „heel ver” in het beschermen van zijn naasten. Hij vertelt dat hij een keer met zijn vrouw en dochters fietste, toen een man op zijn vrouw tufte. Cees stopte. „Kom maar op”, riep hij. „Als mijn vrouw mij niet tot kalmte had gemaand, dan...” Cees zoekt naar woorden. Hij zegt dat hij geen geweld gebruikt als dat niet nodig is. Liever maakt hij zich breed en kijkt hij de ander strak aan. „Zo kan je ook grenzen trekken.”

Zijn beschermingsdrang heeft hem nooit in de problemen gebracht. Maar hij moet wel goed zijn hoofd erbij houden. Daarom schaatst en fietst hij graag: goed voor de focus. Veiligheidstrainingen bij de politie slaat hij nooit over; ze vergroten zijn zelfvertrouwen.

In levensbedreigende situaties komt zijn beschermingsdrang het best tot zijn recht. Zoals de keer dat hij een peuter van de verdrinkingsdood redde. Het jongetje was in een vijver gelopen. Toen Cees aankwam, was hij al dood verklaard. Cees riep: „Nee, doorgaan met reanimeren!” Na twee weken ontwaakte Aldo uit zijn coma.

Het jongetje is inmiddels een volwassen man. Cees en Bernadette mochten op zijn bruiloft komen. Een mooi gebaar, vindt Cees, maar dat soort voorvallen loopt even zo vaak slecht af. „Honderd meter van de plek waar Aldo de vijver in liep, kwam een boer onder een giertank. Hij zat onder het bloed, al zijn ribben lagen er los in. Hoe goed ik ook mijn best deed met reanimeren, hij haalde het niet.”

Cees houdt vaak contact met kinderen of partners van mensen die suïcide pleegden. In zijn werkgebied (Tilburg-Noord, Berkel-Enschot, Udenhout, Oisterwijk en Hilvarenbeek) liggen twee snelwegen en twee drukke spoorlijnen. En ja, dan weet je het wel.

Hij doet zijn best zich in nabestaanden te verplaatsen. De één zit met onbeantwoorde vragen, de ander zoekt spullen van de overledene. Weer een ander wil terug naar de plek waar het gebeurde. „Zo ga ik binnenkort met een meisje naar de plaats waar haar vader met zijn fiets voor de trein is gereden. Ze wil begrijpen hoe het is gebeurd. Of hij voor zijn dood nog in het kapelletje bij de spoorwegovergang heeft gebeden. Een plausibele reconstructie – je weet nooit zeker hoe het gegaan is – geeft nabestaanden rust.”

Cees zegt dat hij nooit moe wordt van al dat zorgen. Hij krijgt er veel voor terug. Mensen zijn vaak dankbaar. En hoewel dankbaarheid geen doel op zich is, helpt het hem wel om zich op te laden.

Eén persoon kan voor Cees zorgen zoals hij voor zijn vader Frans zorgde. „Bernadette weet welke risico’s ik neem. Ze kent mijn rechtvaardigheidsgevoel. We kunnen goed praten en spiegelen. Dat geluk heb ik dan hè.”

Bang dat hij in een zorggat valt na zijn pensioen is Cees niet. Bernadette zit er niet op te wachten dat hij de hele dag thuis rondhangt. En trouwens: dat zit niet in zijn aard. „Met mijn petekind onderzoek ik de mogelijkheid om bewoners van het plaatselijke asielzoekerscentrum aan werk te helpen in een boomkwekerij. Ik heb daar hoge verwachtingen van.”

Zo af en toe kunnen zijn vrouw en dochters Cees verrassen. Zo hoorde hij laatst dat ze een reanimatiecursus gaan volgen. Hij wist er niets van. Betekent dat dat hij het zorgvirus aan hen heeft doorgegeven? Hij lacht. „Daar ziet het wel naar uit.”