Zombies in de middeleeuwen

Levende doden, getekend in 13de eeuw

Paniek in Berwick! Een rijke man sterft en, help! – ’s nachts staat hij op uit zijn graf. Het lijk loopt het hele dorpje door, stinkend en rottend. Altijd rent een roedel blaffende honden achter hem aan. Niemand in het middeleeuwse Engelse dorpje doet nog een oog dicht. Overdag blijft de stank hangen. Tien sterke jongens doen wat nodig is: ze graven het lijk op, hakken het in stukken en verbranden alles. Nooit wordt de zombie teruggezien.

Dit verhaal is ruim 700 jaar oud, opgeschreven door de monnik William van Newburgh. Het is een van de oudst bekende zombieverhalen. William’s Geschiedenis van de Britten is beroemd om de vele enge verhalen. Hij vertelt ook over de ‘hondenpriester’, die eenmaal gestorven, iedere nacht luid grommend uit zijn graf komt om rond de kamer van zijn minnares te lopen (ja ja!). Een andere priester gaat op wacht staan bij het graf. Als de hondenpriester weer overeind komt, slaat hij hem met een bijl terug zijn graf in. De volgende dag wordt het lijk verbrand. Einde.

Waarom is het leuk om enge verhalen te vertellen? Tegenwoordig vertellen we ze vooral als het gezellig is, ’s avonds laat bij een logeerfeestje of bij een kampvuur op vakantie. Het is net zoiets als kietelen: griezelen terwijl je wel weet dat je veilig bent.

Maar William schreef de verhalen om zijn lezers duidelijk te maken dat in die tijd (circa 1196) Engeland helemaal in de war was. Burgeroorlog, slechte bestuurders, opstanden, brrr. Geen wonder dat ook de doden gek gingen doen.

    • Hendrik Spiering