Zijn dit resten van een Romeinse legerplaats... ...of akkers?

In het noordoosten van Nederland kun je ze vanuit de lucht zien: raatakkers. Oeroude, rechthoekige velden met wallen er omheen. Ze waren lang een raadsel, maar archeologen beginnen er iets van te begrijpen.

Hijkerveld, een natuurgebied in Drenthe, gefotografeerd in 1986, na het ploegen. Op de voorgrond zijn raatakkers te zien. Foto Paul Paris

Er schijnt nieuw licht over de ‘Celtic fields’, de raadselachtige raatvormige akkers die dateren uit de prehistorie en waarvan er in Nederland nog honderden te vinden zijn.

Vooral in Noordoost-Nederland, de Veluwe en de Kempen zijn nog duizenden hectares grond die opgedeeld lijken te zijn in reusachtige schaakborden. Vanaf de grond zijn ze vaak moeilijk te herkennen, maar vanuit de lucht is goed te zien hoe vrijwel vierkante vlakken omgeven zijn door wallen, die soms enkele meters breed zijn. De afgelopen drieënhalve eeuw zijn niet meer dan tien celtic fields onderzocht, en ook nog maar voor een klein deel. Mede daarom is het niet vreemd dat onderzoekers nog steeds niet echt weten waarom en wanneer de akkers werden aangelegd.

Maar er zit beweging in de zaak. Archeoloog Stijn Arnoldussen van de Rijksuniversiteit Groningen is sinds 2010 bezig met uitgebreid onderzoek naar het prehistorische akkerbouwsysteem. In dat kader heeft hij afgelopen zomer bij Someren een bijzondere vondst gedaan: ploegsporen in de velden én op de wallen.

Verder komen twee oudgedienden, emerita Willy Groenman-Waateringe, tot 1998 hoogleraar ecologische prehistorie aan de Universiteit van Amsterdam, en paleo-ecoloog Bas van Geel, als 68-jarige nog steeds werkzaam aan dezelfde universiteit, in het tijdschrift Environmental Archaeology met een nieuwe hypothese: de aanleg van de Celtic fields hangt samen met een ingrijpende klimaatverandering rond 850 voor Christus. Verder is er niet op de velden, maar juist op de wallen geakkerd. Voer voor discussie, weten ze.

In 1660 beschouwde een predikant en historicus uit Coevorden de velden die hij in Drenthe aantrof nog als kampementen van rondtrekkende Sueben. In de achttiende eeuw werden ze in verband gebracht met de Romeinen. Zelfs tot begin vorige eeuw stonden ze op topografische kaarten vermeld als Romeinse legerplaatsen. In 1923 stelden Engelse archeologen dat de velden, die in heel Noord-West Europa voorkomen, verkavelde akkervelden geweest moesten zijn; ze noemden ze Celtic fields, omdat het verkavelingsysteem een Keltische vinding zou zijn. Hoewel intussen vast staat dat ze niets met Kelten te maken hebben wordt de term nog steeds gebruikt.

‘Geen verstand van akkerbouw’

Volgens Albert Egges van Giffen (1884-1973), indertijd een van de meest vooraanstaande archeologen van Europa, waren de scheidingswallen gevormd door het opwerpen van de uitgeputte bovenste laag van de akkertjes. „Van Giffen had duidelijk geen verstand van akkerbouw,” zegt Groenman-van Waateringe. „Anders had hij geweten dat je zo de humuslaag, de beste laag, weghaalt.”

Zelf liep ze al een tijd rond met het idee dat het systeem anders in elkaar zat dan iedereen dacht. „Ik kwam op het idee door de lazy beds in Ierland. In de achttiende en negentiende eeuw teelden de Ieren aardappelen op langgerekte bedden aarde, die ze hadden opgeworpen van aan weerszijden gestoken plaggen. De opgehoogde bedden, waarvan de resten in het landschap nog zichtbaar zijn, zorgden voor een goede afwatering; hun naam, die ze van de Engelsen kregen, dankten ze aan het feit dat er niet gespit hoefde te worden.” Vier jaar geleden stelde ze op basis van de resultaten van pollenanalyses al vast dat in de vroege Middeleeuwen rogge op de wallen van de raatakkers was verbouwd. „Maar het was lastig om te bewijzen dat ze oorspronkelijk ook voor akkerbouw bedoeld waren.”

Tot ze een tijdje terug in gesprek raakte met Van Geel. „Zijn onderzoek naar klimaatveranderingen in het verleden, met name de vernatting aan het begin van de IJzertijd paste precies.”

„Door verminderde zonneactiviteit werd het rond 850 voor Christus in Europa plotseling kouder en natter,” legt Van Geel uit. „Dat moet voor de boeren van die tijd problemen hebben opgeleverd. Maar een crisis maakt vaak ook vernuftig. Met de aanleg van opgehoogde akkerbedden werden problemen opgelost. Door gebruik te maken van de humus uit de lage delen van een Celtic field was de grond op de wallen vruchtbaarder. Verder was er nu een goede afwatering en de ophoging zorgde er ook voor dat de gewassen beter tegen nachtvorst waren beschermd, omdat de temperatuur op de bedden enkele graden hoger was.”

Datering is een probleem

Uit eerder onderzoek in Noord-Duitsland is gebleken dat op de wallen het fosfaatgehalte het hoogst is, voegen de twee onderzoekers toe. „Dat duidt op bemesting. Maar precieze datering van de wallen is een probleem. Dat blijkt uit het feit dat de weinige beschikbare dateringen uiteenlopen van de Midden Bronstijd (1800-1100 v. Chr.) tot de Romeinse tijd (eerste eeuw v. Chr.). In Denemarken is zelfs een datering uit de Midden Steentijd.”

Arnoldussen is er niet van overtuigd dat het ontstaan van de celtic fields samenhangt met de klimaatverandering van 850 voor Christus. „Mijn dateringen van de Celtic fields van Zeijen, Wekerom en Someren wijzen op een begin rond 1300 voor Christus. Het is een langzaam proces geweest. Eerst heeft men plaggen gestoken, daarna zijn die in een stal bemest en uiteindelijk zijn ze op het land teruggebracht. De wallen zijn ontstaan door het uittrekken en terzijde gooien van akkeronkruiden met aanhangende grond.”

Arnoldussen blijft er dus bij dat er in de velden en niet op de wallen is geakkerd. „Groenman en Van Geel baseren zich op beperkt fosfaatonderzoek. Uit mijn uitgebreidere onderzoek blijkt dat het fosfaatgehalte in grond die mensen niet bewerkt hebben groter is; het fosfaatgehalte zegt dus niets over bemesting.”

Nog belangrijker acht hij zijn vondst van afgelopen zomer bij Someren. „In een veld heb ik een goede stratigrafie met ploegsporen gevonden.”

Op de wallen heeft hij echter ook ploegsporen gevonden. „Maar die krassen van eergetouwen lopen diagonaal en niet in de richting van de velden en de wallen. Ze wijzen op het kapot trekken van wortels en het na braakperioden schoonmaken van de wallen.”

Groenman-van Waateringe ziet maar één manier om de zaak echt op te lossen: „Een veld helemaal opgraven en op heel veel plekken dateringen doen.”