Wat een beschaafd mens allemaal moet weten

Antoine Lavoisier (1743-1794) onderzoekt de menselijke ademhaling. Zijn vrouw, rechts, maakte de tekening.

Opeens lag daar een mooi boekje van Karel van het Reve op het Waterlooplein, midden tussen de nalatenschap van oud-burgemeester Wim Polak. ‘Voor Jo en Wim, van de schrijver. 9 december 1988’.

Het was de weergave van een lezing die Van het Reve in november 1988 had gehouden voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Polak was er niet bij geweest, maar Van het Reve had het meegebracht, de twee waren bevriend en kwamen bij elkaar thuis, zo zal het gegaan zijn. Niets bijzonders. Vroeg of laat belandt iedereen op het Waterlooplein, de boeken van Rudy Kousbroek over stoommachines en bruggenbouw lagen er al voor hij dood was.

Zie ook onder Mozes gaat over algemene ontwikkeling en wat een beschaafd mens allemaal behoort te weten. Of preciezer gezegd: wat een ontwikkeld mens overtuigend moet kunnen pretenderen te weten om voor vol te worden aangezien. Van het Reve had, na cafébezoek met zijn studenten, het plan opgevat om de onontbeerlijke kennis bondig en trefzeker te bundelen in een boek van 200 pagina’s. Maar het was er nooit van gekomen.

Wat moest je allemaal weten en kennen? Veel Latijnse citaten van het soort ‘Alea jacta est’ en ‘ De mortuis nil nisi bene’ en ‘Et tu, Brute?’ Je moest weten wat ‘in flagranti’ betekent en dat de Mona Lisa een schilderij was van Da Vinci en dat je het in het Louvre kon bekijken en dat het Louvre in Parijs lag. Verder: dat Bach een componist was, maar dat er meerdere Bachs waren, zoals er ook meerdere Napoleons waren. Dat Einstein een joodse geleerde was die door Hitler uit Duitsland was verjaagd en E = mc2 had bedacht. Zie ook onder atoombom.

Overigens zou, vertelde Van het Reve de geïnteresseerde Akademieleden, de exacte wetenschap in zijn nooit verschenen boek nauwelijks vertegenwoordigd zijn geweest. Het monopolie op het oordeel over beschaving en ontwikkeling ligt nu eenmaal bij het alfadeel van onze samenleving. Dat is een gegeven. Daarna spuugde hij kalm zijn gal over die alfa’s die vaak gewoonweg niet genoeg weten en het weinige dat ze te zeggen hebben daarom zo ingewikkeld mogelijk formuleren. De bèta griezelt ervan, maar is toch steeds weer onder de indruk. Hij schaamt zich voor alle alfadingen die hij niet weet, de alfa zelf laat zich juist voorstaan op zijn gebrek aan bètakennis.

Om kort te gaan: in Reves gids hadden veel namen uit de Griekse en Romeinse mythologie zullen voorkomen, maar nauwelijks namen van natuurwetenschappers. Hij zou drie fysici opnemen – Archimedes, Galilei, Newton – en geen enkele chemicus. Er was, meende hij, geen enkele scheikundige ter wereld wiens naam je moest kennen om intellectueel voor vol te worden aangezien. De Akademieleden werden er stil van.

We zijn bijna 30 jaar verder en er is natuurlijk veel veranderd. Dat geuren met Latijnse citaten (kwiske sibi proksimos) is voorbij en Griekse en Romeinse helden worden niet vaak meer aangeroepen. Het is niet érg meer als je niet weet dat André Gide homoseksueel was. Of dat je niet weet wie André Gide was. Maar als de waarneming niet bedriegt wordt nog steeds door het alfadeel van de maatschappij bepaald wat voor ontwikkeld door kan gaan. Wie de Proust van de madeleines niet kent staat voor schut. De Proust van de wet van de constante samenstelling kent niemand. Een kleine steekproef bevestigt bovendien wat Van het Reve al suggereerde: er worden meer fysici gekend dan chemici.

Dat is leuk genoeg om over na te denken nu het toch slecht weer is. Hoe verklaar je dat verschil in naamsbekendheid en waardering tussen fysici en chemici? De moderne scheikunde ontwikkelde zich later dan de moderne natuurkunde, dat is al één ding. De alchemisten zijn lang doorgegaan met het zoeken naar de steen der wijzen, het levenselixer of een manier om goud te maken en de scheikunde die er op volgde leek er veel op: noest geploeter met eenvoudig instrumentarium. Aan het synthetische deel van de scheikunde werd nog tot ver in de negentiende eeuw deelgenomen door een veelheid aan dilettanten: apothekers, dokters, landbouwkundigen. De werkwijze was vaak niet meer dan trial and error, zoals in de alchemie. Allicht had dat invloed op het aanzien van het vak.

Natuurlijk was ook het onderzoeksterrein van de fysici ruimer en gevarieerder – en zo is er nog veel meer te bedenken. Maar het verschil in naamsbekendheid kan ook een heel eenvoudige verklaring hebben: veel namen van fysici zijn later toegewezen aan heel gangbare eenheden: Newton, Joule, Kelvin, Ohm, Watt, Coulomb, Hertz, enzovoort. De scheikundigen konden alleen Dalton naar voren schuiven voor een overbodige eenheid.

Stel dat Van het Reve toch drie chemici in zijn gids had willen opnemen, wie hadden dat dan moeten zijn? Wie zijn de grootsten der groten onder de grondleggers en baanbrekers? Daar heb je tegenwoordig internet voor, het wemelt er van famous chemists en greatest chemists. Wikipedia heeft zelfs een heel ontmoedigende ‘list of chemists’ die bijna wekelijks wordt aangevuld. Vorige maand werd nog Henning Brandt toegevoegd, de alchemist die 5.500 liter urine indampte en een ons fosfor overhield.

Welke chemici betekenden evenveel als Galilei en Newton? Voorlopig houden we het op het gezelschap dat al twee eeuwen wordt aangewezen: Lavoisier, Dalton en Proust. Maar dan de andere Proust, natuurlijk. Bèta-Proust.