Twee ovalen en twee strepen in een bol

In een tijd waarin er meer zelfportretten worden gemaakt dan portretten, zijn er nog altijd kunstenaars die zijn gespecialiseerd in het portret. Maar wat telt is het kunstwerk, niet de afgebeelde.

Chuck Close: Diane von Furstenberg. Polaroid uit 2011.

L ang geleden, een jaar of zeshonderd, ging een Vlaamse schilder op weg naar Portugal om een gezicht vast te leggen. Hij reisde bergen over voor een kin, sliep in herbergen voor een mond, hotste over zee voor een wang, leed kou voor een oog en zweette voor een hals. Alles over voor één gelaat, zo’n samenstelling van twee ovalen, een liggende en een staande streep gevat in een soort bol die bijna altijd min of meer hetzelfde is, maar nooit identiek; zelfs eeneiige tweelingen zijn nooit helemaal hetzelfde. Aardappelen ook niet, maar daarbij valt het minder op; het zijn gezichten waar mensen zich op richten.

Hofschilder Jan van Eyck ging op reis om de Portugese prinses Isabella af te beelden. Hij maakte twee portretten van haar, waarvan er een over land en een over zee naar Vlaanderen reisde om daar gezien te worden door Filips de Goede. Kennelijk beviel hem wat hij zag, want er volgde een huwelijk tussen de Portugese prinses en de Bourgondische hertog, op 7 januari 1430.

Het is nu bijna niet meer voor te stellen dat er zo’n lange reis gemaakt moet worden om te weten hoe iemand eruitziet. Portretten zijn niet schaars meer; mensen worden nu zelfs vastgelegd zonder dat het de bedoeling is, op Google Street View, door beveiligingscamera’s of op de achtergrond van een selfie. Beeldend kunstenaar Selby Gildemacher legde een verzameling foto’s aan van mensen die hun spiegel willen verkopen op Marktplaats en op de foto daarvan onbedoeld ook zichzelf portretteerden.

Voor het eerst in de geschiedenis zijn er nu meer zelfportretten dan portretten; vroeger konden alleen kunstenaars zichzelf vastleggen, met de uitvinding van de fotografie werd het al makkelijker voor gewone stervelingen en sinds er op elke smartphone een camera zit is er geen rem meer. Misschien kijken sommige mensen nu vaker op hun telefoon dan in de spiegel.

Toch worden ze nog steeds gemaakt, portretten. Sommige kunstenaars zijn er zelfs in gespecialiseerd. Het oeuvre van Alice Neel en Lucian Freud bestaat vooral uit portretten. Dat van John Currin, Elizabeth Peyton, Karen Kilimnik, Marlene Dumas, Kehinde Wiley, Iris van Dongen, Philip Gurrey, Luc Tuymans en Emo Verkerk ook. Maar helemaal zoals vroeger is het bij de meesten toch niet. Want de mensen die ze portretteren komen niet naar hun atelier; Marlene Dumas dronk geen koffie met Mohammed B. en Elizabeth Peyton vroeg Michelle Obama niet om iets meer omhoog te kijken. Veel van deze kunstenaars schilderen naar foto’s en vinden hun onderwerpen in de media; de meeste sterren op het doek zijn uit de tweede hand geschilderd. Een groot voordeel van deze werkwijze is dat iedereen kan zien ‘of het lijkt’ – een belangrijke vraag bij een portret, maar een die bij portretten van onbekenden door het grote publiek niet beantwoord kan worden, ook al lijkt het tegendeel bij een goed portret het geval.

Misschien is die illusie wel een van de geheimen van een goed portret. Een mens van verf en linnen kijkt je aan, zo schuchter of juist stoer dat het een mens van vlees en bloed wordt. Maar een illusie is het. Want wie weet of Marlene Dumas haar dochter goed heeft getroffen en John Currin zijn vrouw? Terug in de tijd wordt het nog moeilijker, zelfs onmogelijk om deze vraag te beantwoorden. Lijkt de Mona Lisa?

Niemand kan meer zeker weten of Rembrandt Maarten en Oopjen overtuigend heeft afgebeeld. Mooie portretten zijn het, maar nu eerder van Rembrandt dan van hen. Dat ontbreken van andere bronnen maakt oude portretten vaak zo onaf, zo unheimisch; hoe fijn ze ook geschilderd zijn, het kan een kwelling zijn ernaar te kijken. Wat dit betreft zijn alle portretten karikaturen, die alleen werken als je de bron van de karikatuur kent. Wie kan er nog lachen om het werk van Honoré Daumier? Zijn perenkoning is vooral leuk als je zelf had kunnen constateren dat de Franse koning Louis Philippe inderdaad wat op een peer lijkt. Hoelang zal het nog duren voor een vinger onder een neus niemand meer aan Hitler doet denken en drie cirkels niet meer aan Mickey Mouse?

Eén zo’n kwellend portret is dat van de Romein Terentius Neo en zijn vrouw, dat geschilderd was in het atrium van zijn huis in Pompeï. Lijkt het? Bijna niemand vraagt het zich meer af; Terentius is zijn afbeelding geworden. Of het flatteert of niet; of hij tevreden was met zijn borstelige wenkbrauwen en vlassige baardje kan nooit meer achterhaald worden. En dan heeft hij nog een naam; de meeste geportretteerden zakken na verloop van tijd af van opdrachtgever naar model. Meisje met een parel of vrouw met een hoed, man met een tulband of man met opgetrokken wenkbrauwen – zo zijn veel portretten uit de Renaissance en de Gouden Eeuw geanonimiseerd. De Britse schrijver Martin Gayford wist wat hij deed toen hij zijn boek over modelzitten voor Lucian Freud Man with a Blue Scarf noemde. Het schilderij telt uiteindelijk, niet het portret.

Beschilderde schedels

En dan te bedenken dat de eerste portretten waarschijnlijk beschilderde schedels waren. Het hoofd van een geliefde werd in Jericho niet voor altijd begraven. Nadat het vlees er was afgerot werd het beschilderd en in huis neergezet; op een schoorsteenmantel – als ze die 8.000 jaar geleden al hadden. Iets vergelijkbaars gebeurde kort na de uitvinding van de fotografie: overledenen werden op een stoel gezet om te poseren alsof ze nog leefden, meestal samen met hun nog niet gestorven familieleden. Ze hebben alleen vaak hun ogen dicht. Met ogen open is elk portret al een aangekondigde dood, net als het leven zelf. Op Zuid-Europese kerkhoven zie je dat idee vaak op de spits gedreven: foto’s op graven, van de overledene toen hij of zij nog leefde. Zoals er vroeger op mummies in Egypte portretten van de overledenen werden geschilderd. Maar niets treuriger dan zo’n portret dat immers ook vergaat; alsof er een strijd is tussen de botten en de beeltenis. Het lichaam verdwijnt, maar dat doet de afbeelding ook. Niets blijft.

En toch zijn er nog steeds mensen die een portret willen, gemaakt door een goede fotograaf die meer kan dan een kiekje. Wild dat gevangen wil worden. Geen momentopname maar een samenvatting. En er zijn ook nog steeds mensen die zo’n portret liever geschilderd willen. Zo sluiten ze beter aan bij een traditie die lang geleden begon; verf wordt wang wordt neus wordt oog; haren zijn penseelstreken, een pupil is een punt. Minder realisme maar misschien meer ziel. Hoe veel status verf nog heeft, mag blijken uit de kwestie Luc Tuymans, die een in een krant gepubliceerde foto van de Belgische politicus Jean-Marie Dedecker door Katrijn van Giel tamelijk getrouw naschilderde. Maar door die transformatie van pixels naar verfstreken werd het portret wel veel meer waard. Daarvoor was het ook nodig dat het portret werd geanonimiseerd, alsof het zo uit de Renaissance kwam. Tuymans zag het gezicht dan ook meer als een tronie dan als een portret, gezien de titel die hij het doek gaf, ‘A Belgian Politician’. De koper van het portret, een Amerikaanse verzamelaar, had nog nooit van Dedecker gehoord.

Maar je hebt verf en verf. Van alle kunstenaars die in het tv-programma Sterren op het doek, dat tien seizoenen werd uitgezonden, een portret van een bekende Nederlander schilderden, heeft er nog nooit een in een groot Nederlands museum geëxposeerd. Voetballer Johan Cruijff en actrice Tjitske Reidinga zullen de meeste mensen wel kennen, kunstenaars Dick Tulp en Anja Jager niet. Zo was het waarschijnlijk niet met Oopjen en Rembrandt, die ook in zijn eigen tijd al een bekend kunstenaar was.

Nu zijn er, zeker in Nederland, gescheiden circuits ontstaan; het geschilderde portret in opdracht behoort niet meer tot het museale circuit. De kans dat Luc Tuymans op verzoek van Jean-Marie Dedecker zijn portret zou schilderen is nihil. Dedecker zou dat nooit vragen; Tuymans zou het nooit doen. Tot in de twintigste eeuw liet de elite zich door bekende kunstenaars als Kees van Dongen en Jan Sluijters vastleggen, nu schilderen bekende kunstenaars vooral mensen die ze zelf uitkiezen.

Koninklijke familie

De koninklijke familie is vrijwel de enige uitzondering. Luc Tuymans maakte een portret van koningin Beatrix voor de heropening van het Stedelijk Museum Amsterdam in 2012; het was het eerste werk dat de schilder in opdracht maakte. „Voor mij lag er een uitdaging in het feit dat er een lange traditie bestaat van staatsieportretten en beeltenissen van koninklijke personen en van Koningin Beatrix in het bijzonder. Ik heb gekozen voor een beeld dat niet geposeerd is, en duidelijk een fotografische compositie heeft”, zei Tuymans. De traditie zet zich voort bij Beatrix’ zoon Willem-Alexander.

De Nederlandse kunstenaars Iris van Dongen, Femmy Otten en Rineke Dijkstra maakten in 2014 staatsieportretten van de nieuwe koning. Interessant is hier weer de status van de fotografie. Ook toen was er namelijk een kwestie. Iris van Dongen gebruikte voor een van haar schetsen voor het portret een foto van Koos Breukel, die de kunstenares daarop van plagiaat beschuldigde. Een van de andere schetsen maakte Van Dongen naar een foto van Rineke Dijkstra, die zelf ook als kunstenaar de koning mocht portretteren.

Het zou mooi zijn al die kunstwerken, foto’s en schilderijen, bij elkaar te zien hangen in de National Portrait Gallery die Koos Breukel naar Angelsakisch voorbeeld aan het oprichten is. Misschien zou daar ook plaats zijn voor dit geschreven portret van de Amerikaanse dichter Emily Dickinson, die in 1868 op het verzoek om een beeltenis van haar antwoordde: „Ik heb er nu geen. Maar ik ben klein, als het winterkoninkje, en mijn haar is vrijpostig, als de kastanjebolster, en mijn ogen zijn de kers in een glas, die de gast achterlaat. Voldoet dat ook?”

In zijn nieuwe film Francofonia vraagt de Russische regisseur Aleksandr Sokoerov zich af waarom er in de westerse cultuur toch zoveel portretten zijn. De Romeinse schrijver Plinius gaf tweeduizend jaar eerder al een antwoord: „Er bestaat naar mijn mening geen grotere vorm van geluk dan wanneer iedereen er altijd naar hunkert te weten hoe je eruit hebt gezien.”

Het portret als service. Met dat hunkeren is het nu alleen wel gedaan. Kunst of geen kunst. Even googelen en je weet het, als je het niet al wist. Het is nu juist bijzonder als je niet weet hoe iemand eruitziet. Van de Italiaanse schrijfster Elena Ferrante is geen enkel portret bekend. Zelfs geen kiekje. Dat wakkert het verlangen aan.

Maar misschien moeten we er allemaal wel van af, van al die portretten. Even pauze, even geen profielfoto’s en portrettengalerijen. Even het doek dicht, zodat iedereen even adem kan halen. Zoek de verschillen niet. We lijken uiteindelijk allemaal op de Mona Lisa, zoals iedereen ook op een stopcontact lijkt. Allemaal aardappels. Uiterlijk zegt toch niets over innerlijk. Nou ja, haast niets. Het zegt in ieder geval: mens. En peer, soms. Of kastanje en kers. Dat kunnen ook portretten zijn. Laten we meer op andere dingen gaan lijken. Vind een kin in een berg, een wang in een golf, een taille in een gitaar, een oogopslag in een zonsopgang.