Column

Strade

Vandaag wordt de mooiste koers van het jaar gereden. De Strade Bianche is een eindeloos gevecht met onverharde paden van grind en zand, kronkelend over heuvels, langs wijngaarden, in Toscaans perpetuum mobile. En na het geweld van opstuivend grind en valwinden mag de winnaar in de schaduw van de beeldschone Torre del Mangia zich over de streep werpen.

De Strade Bianche is historisch en heroïsch. Een echte tv-koers. Ooit helemaal retro: de fiets moest minstens dertig jaar oud zijn. Een stalen ros zonder aluminium en titanium, wielen van lood. De renners zelf in een wollen tricot. Vandaag is de jonge klassieker een moderne profkoers met iconische beproevingen. Schrijver Dimitri Verhulst zag renners die bij het ontbijt „een half koebeest opvraten en de achterzakken vulden met tot steen gekookte eieren.” Op deze tiende verjaardag van La classica del Nord, più a Sud d’Europa (de klassieker van het Noorden in het Zuiden van Europa) heeft de Strade de status van monument verworven. Nog niet met de stralenkrans van Parijs-Roubaix en de Ronde van Lombardije, maar als je ziet wie de voorbije tien jaar gewonnen heeft, weet je: hors categorie. Om er een paar te noemen: Fabian Cancellara, Philippe Gilbert, Michal Kwiatkowski, Zdenek Stybar. Een erelijst waar ze zelfs in de Ronde van Vlaanderen bij likkebaarden.

Adembenemend mooi is de finale op de Piazza del Campo na een slotklim met een stijgingspercentage van maximaal zestien procent. Het sprak stilaan tot de verbeelding van de grootste kampioenen.

Dit jaar zijn zowat alle toppers present, van Nibali tot Valverde, van Van Avermaet tot Sagan. Cancellara en Kwiatkowski zijn er ook weer bij. Nederland heeft nog weinig renners met een klassiek profiel, maar Robert Gesink is vandaag in Siena niet helemaal kansloos. De venijnige steile klimmetjes zijn als gesneden brood voor de comeback kid die zijn conditie tot het einde van het vorige seizoen op peil wist te houden. Zowel in de Tour als in de najaarsklassiekers kon hij met de besten mee.

De Strade Bianche heeft in tien jaar tijd de media veroverd. De wedstrijd wordt deze zaterdag in meerdere landen live uitgezonden en de voorbeschouwingen in de kranten liegen er ook niet om. Jammer, maar helaas, ook hier loopt Nederland achter. De Strade moet nochtans niet meer onderdoen voor de Amstel Gold Race of Luik-Bastenaken-Luik. Dat ligt ook aan de gedroomde kalenderdatum. Het is de eerste grote wedstrijd van het seizoen, nog voor Milaan-Sanremo, waar de kopmannen van de grote wielerteams zich met elkaar meten. Een ander voordeel: het waanzinnig mooie cinematografische decor. Ook niet-wielerliefhebbers komen de zaterdag wel door met beelden van het glooiende Toscaanse landschap en historische pleinen en straten. De hoofdsponsor van de wedstrijd is nog steeds de Banca Monte dei Paschi di Siena, de oudste bank ter wereld (stichtingsjaar 1472). Dan ben je geen koers voor meelopers.

Daar heeft de Rabobank niet van terug.

Kortom, heldhaftigheid druipt van het decor, van sponsors en renners. Wie de Strade Bianche wint, is voor de rest van het seizoen verzekerd van een behoorlijke startpremie, op het niveau van de Amstel Gold Race.

Peter Sagan is gebrand op de bloemen. De wereldkampioen maakt er vooraf al een show met middeleeuws kapsel, ongeschoren benen en grappen uit de tijd van de Romeinen. Geen renner is zo toegespitst op social media als de Slowaak. Misschien is dat ook wat het Nederlandse wielrennen ontbreekt: publieksspelers buiten de koers. De ambiance blijft te protestants, te gehuchterig.

De Kneet moet terug.