Opinie

    • Georgina Verbaan

Laag

‘Het is maar goed dat je vandaag comapatiënt bent” zegt de make-upmeneer terwijl hij een klodder bleke schmink over mijn wallen en de randgemeente, die ook wel mijn gezicht genoemd wordt, uitsmeert. Ik ben op mijn werk. Er wordt deze dag niet meer van mij verwacht dan roerloos in een bed liggen met mijn ogen dicht. „Meer kan ik er niet van maken” zegt de make-upmeneer als zelfs mijn oren zacht blauw van teint zijn. Uit de koffieautomaat pak ik een kop koffie. Naast dichtbij de eerste hulp zijn, bedenk ik me, zijn al die koffieautomaten toch een van de grote voordelen van werken in een ziekenhuis.

Ik krijg een ziekenhuisschort aan dat aan de achterkant open is. De kledingdame suggereert dat ik mijn spijkerbroek aanhoud zodat ik niet in mijn onderbroek naar de set hoef te lopen. Dat lijkt mij een uitstekende suggestie maar ik probeer me toch kort voor de geest te halen welke onderbroek ik precies aanheb, en hoe erg het werkelijk zou zijn als hij gezien werd. Maar ik kom er niet op. Omdat ik geen tekst heb als comapatiënt, hoef ik weinig voor te bereiden en heb ik dus tijd te doden. Ik pak nog een kop koffie en oefen tussen de slokken door wel even het inhouden van mijn adem, voor de laatste scène. In een spiegel bekijk ik of ik misschien stiekem kan ademen zonder dat je het ziet. Maar daar had ik mij eerder in moeten bekwamen.

Dan word ik opgehaald. Op de set staat een bed voor me klaar. Ik neem erin plaats en word door een vrouw van het ziekenhuis aan slangen en apparaten gekoppeld. Op mijn vinger gaat een knijper met een rood lampje en ik word bestickerd voor een ECG. Mijn hartslag is te zien op een monitor. Een akelig idee dat ik besluit te negeren. Dan komen er 8 mensen binnen die stuk voor stuk een beetje op mij lijken. Ze worden om het bed geplaatst. Het zijn figuranten die mijn familie spelen. Ze oefenen een verdrietig gezicht.

„Jezus, wat een lage hartslag heb jij. 46 is niet normaal hoor”, zegt een man die mijn neef zou kunnen zijn. Ik kijk naar de monitor. „Oh”, zeg ik. De scene begint. Ik lig stil, mensen snikken. Ik denk aan mijn hart. Zou er iets mis mee zijn? Als de scene over is en ik mijn ogen open zie ik alle acht figuranten met open mond naar de monitor kijken. „43! Net was je hartslag 43!”, zegt naar ik vermoed mijn moeder. „Wat is normaal?”, vraag ik. „Zeventig, tachtig, zoiets”, fluistert mijn neef.

De scene wordt nog eens gespeeld. „Echt heel laag hoor, en je bloeddruk ook al”, fluisterschreeuwt mijn moeder op een soapachtige manier die aan Dallas doet denken. „Misschien moeten we het er niet meer over hebben. Ik krijg het er benauwd van”, zeg ik. „Moet je naar laten kijken hoor, soms is je hartslag 36.”

Vanonder het sprei diep ik mijn telefoon op. Ik google. Ja hoor, ik heb iets ergs. Nu moet ik weer naar de huisarts, die altijd denkt daar heb je die hypochonder weer maar dat heel slecht verbergen kan. De mevrouw van het ziekenhuis die me loskoppelt zegt: „Ja, het is laag, maar je bent tenger en volgens mij een extreem actief mens, dus dan is het zo gek niet hoor.” Maar ik ben niet eens een gematigd actief mens. „Zo, dat was een relaxed dagje voor je hè?”, zegt de regisseur. „Wij gaan door naar je begrafenis, maar daar hoef jij niet bij te zijn hoor. Haha!” Ik lach appelig terug.

    • Georgina Verbaan