Kom binnen en geniet

Toef Jaeger grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Ook in het Witte Huis moet je soms gordijnen uitzoeken, moeten bedden worden opgemaakt, moet worden gekookt voor soms een klein en soms een groot gezelschap. Ook hier spelen kinderen en zijn huisdieren aanwezig. Voor wie dergelijke sores rondom de presidentiële woning interessant vindt, is De residentie. Achter de scheren van het Witte Huis (1) een plezierig boek. Kate Anderson Brower volgde het Witte Huis lange tijd als correspondent voor Bloomsberg News – en haar viel de enorme toewijding op waarmee het personeel te werk ging. De stille, neutrale figuren op de achtergrond zijn de bron voor haar verhalen, die laveren tussen vriendelijke roddels en alledaags gebabbel.

Maar het is leuk om te lezen over het zenuwslopende perfectionisme van Nancy Reagan en de zenuwen van J.F. Kennedy, en verfrissend om te horen hoe aardig de beide presidenten Bush waren voor hun butlers. Ook is het een geschiedenis van emancipatie: sinds Kennedy zijn er steeds meer zwarten komen werken. Je gunt ze niet dat ze over een jaar met Donald Trump te maken zouden krijgen.

Ik wil de hemel en ik wil de straat(2) klinkt als een uitspraak van deze hebberige miljardairs-kandidaat, maar het is juist de titel van een bundel literatuurbeschouwingen, die weerspiegelt dat de Vlaamse dichter Luuk Gruwez met zijn poëzie zowel het hogere als het alledaagse wil bedienen. Het zijn besprekingen van bundels, analyses van gedichten, recensies en brieven aan collega-dichters die zeer uiteenlopend zijn van toon: Kamiel Vanhole wordt postuum aangesproken met ‘Kamiel, kom uit je hol, kom uit je graf’, terwijl Leonard Cohen een ander advies meekrijgt: ‘Draag zorg voor wat dreigt te verdwijnen, zelfs als het uiteindelijk nooit overgaat’. Logisch dat er geen antwoordbrieven zijn opgenomen.

Gruwez is deze bundel dan ook vooral bezig om een vorm en reden te vinden voor zijn eigen werk. De onontkoombare scholierenvraag waarmee het boek begint, ‘Waarom bent u begonnen met schrijven’, is de drijfveer van het hele boek. Een antwoord komt er niet, althans niet expliciet, maar uit de stukken spreekt een romantisch vertrouwen in, en liefde voor, de poëtische taal.

Minder gericht op de taal, en wat meer op de mens achter de schrijver, is Nico Keuning, de biograaf van Johnny van Doorn, Jan Arends en Bob den Uyl. In zijn bundel ‘literaire ontmoetingen’ Een vreemde bestemming (3) reist hij literaire werken achterna, soms in het daadwerkelijke gezelschap van de auteur (zoals in het mooie stuk over Menno WIgman), soms in de symbolische aanwezigheid (zoals bij Sint Brandaan, de Tachtigers of Fernando Pessoa), en soms ook met een reisgenoot, wanneer hij met Helga Ruebsamen in het Scheveningse café het Zeemanshuis (‘Zeeman of niet, kom binnen en geniet’) over Elsschot spreekt. Ze is wars van al te veel neerlandistieke analyse: „Muggenzifterij. Laat het na, want het belet je het verhaal telkens opnieuw te lezen. Die duidingen gaan in de weg zitten.”

Hans Dijkhuis is een filosoof, maar hij is ook romanschrijver, en in die hoedanigheid debuteert hij onder het pseudoniem Gerben Colster met De schuld (4), een boek over de vriendschap tussen Descartes en Anthonis Studler van Zurck. Daar is niet erg veel over bekend, waarschijnlijk juist omdat die vriendschap nogal nauw was. Colster heeft zoveel mogelijk documentair materiaal gebruikt, en Descartes wordt dan wel erg veel tekst uit brieven in de mond gelegd. Ook is er ruime aandacht voor de geschiedenis van Europa, en de redenen dat Descartes in Nederland terecht kwam.

Maar vooral mooi is de tragiek die verborgen zit in de ongelijke vriendschap. Studler van Zurck, de ‘heer van Bergen’, gaat prat op zijn beroemde dorpsgenoot en zou Descartes het liefst voor zichzelf houden. Maar de grote filosoof is niet gebonden aan plaats, en wanneer hij uitgenodigd wordt door koningin Christina, besluit hij naar Zweden te vertrekken. En dan rest er voor de achterblijver slechts gekwetste trots.