‘Ik weet nu beter wat ik wel en niet moet zeggen’

is geen bestsellerauteur, maar dit jaar toch de schrijver van het Boekenweekgeschenk. ‘Ik weet niet of je wel een publieksschrijver moet willen zijn.’

Foto Merlijn Doomernik

Esther Gerritsen is geen man. En tóch is ze schrijver van het Boekenweekgeschenk 2016. Na een reeks van dertien mannen gaat de hoogste eer van de Nederlandse boekpromotie dit jaar naar een schrijfster. „Een vrouw moet kennelijk extra haar best doen”, zei Gerritsen gekscherend op televisie toen haar ernaar werd gevraagd. Een week voor het grote circus losbarst, zit ze in een café in Amsterdam-Oost en wil ze er nog steeds niet veel over kwijt. „Wat moet je zeggen? Het is een door mannen gedomineerde wereld en dat verandert. Langzaam. Het is in individuele gevallen altijd shit om daarover te praten, tegelijkertijd is het goed om het te signaleren. Dat is het enige wat je kunt doen. Ik word een soort goudvis als we het erover gaan hebben.”

Gerritsen doet de goudvis even na en maakt ploppende geluiden met haar mond. Dan zegt ze toch: „Ik vertel nu steeds dezelfde anekdote, over hoe ik met mijn nichtjes die toen tien waren naar de portrettengalerij van schrijvers in het Letterkundig Museum ging. Na twee seconden vroegen zij me waar de vrouwen hingen. Zoiets was mij op mijn tiende niet opgevallen. Ik ben van de generatie bij wie dertig kinderen op school een spreekbeurt hielden over het beroep van hun vader. Daar zou je nu op school niet meer mee wegkomen.” En, voegt ze daaraan toe: „Er is maar één iemand die drie keer het Boekenweekgeschenk heeft geschreven en dat was een vrouw [Hella Haasse].” Lachend: „Waarmee ik niet wil zeggen dat mannen niet kunnen schrijven.”

Lang ging Esther Gerritsen (1972) door het leven als een writer’s writer: geliefd bij de kritiek en bij een klein publiek, maar zeker geen bestsellerauteur. Vanaf haar debuut met de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn (2000) maakte ze naam als auteur van ernstige boeken waarin veel werd gedacht door mensen die zich moeizaam tot de wereld verhielden. Maar geleidelijk aan is ze opener en toegankelijker gaan schrijven. De romans Superduif (2010), Dorst (2012) en Roxy (2014) werden genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en haar publiek groeide gestaag. Al is ze onder Boekenweekauteurs nog steeds een uitzondering: meestal wordt die eer gegund aan schrijvers die al een aantal bestsellers op hun naam hebben staan. Vanaf volgende week is ze desalniettemin het uithangbord van de hele Nederlandse literatuur, als zo’n 600.000 exemplaren van haar novelle Broer worden weggegeven. Aan die aantallen probeert ze niet te veel te denken. „Bij de gedachte aan twintig lezers kun je ook al zenuwachtig worden. Of ik er nu twintig moet negeren in mijn hoofd of 600.000 – dat maakt niet uit. Het is een abstractie, toch?”

Had u bij uw debuut verwacht ooit het Boekenweekgeschenk te schrijven?

„Nee. Maar ik wilde ook helemaal geen schrijver worden, dat leek me iets wat je ernaast doet. Ik weet ook niet of je wel een publieksschrijver moet willen zijn.”

De Stichting CPNB denkt in elk geval dat uw werk geschikt is om honderdduizenden mensen naar de boekwinkel te lokken.

„Ja, what happened? Wat is er gebeurd sinds het allemaal heel moeilijk en solipsistisch was wat ik maakte? In het begin schreef ik op de momenten waarop ik losgezongen van de werkelijkheid raakte, waarop ik helemaal in mijn hoofd zat. Dat schreef ik op en als je die stukken achter elkaar zette, had je een verhaal.”

In een van uw eerste romans, ‘Tussen Een Persoon’, is het enige personage naast de verteller een man die vastgebonden zit en niets mag zeggen.

„Toen interesseerde het me ook echt niet wat die man ervan vond. De buitenwereld wordt vanaf de eerste zin van dat boek ontkend. Dat is veranderd. Inmiddels lopen er steeds meer mensen in de weg. Op een gegeven moment heb ik mijn personages verboden om te fantaseren. Niet een personage laten denken: o god, als mijn moeder maar niet binnenkomt – maar die moeder in het verhaal gewoon laten binnenkomen.”

U schrijft veel over familieconflicten.

„Familie is de simpelste manier om personages bij elkaar te zetten die eigenlijk niets met elkaar hebben. Die familierelaties in mijn boeken zijn dus eerder een kwestie van romantechniek dan dat ik anekdotes uit mijn eigen leven wil vertellen.”

‘Broer’, het Boekenweekgeschenk, gaat ook over familie. Een vrouw krijgt plotseling haar broer in huis, nadat diens been is geamputeerd.

„Ik wist dat het verhaal over een zakelijk ingestelde vrouw met een sterk beroep moest gaan. Iemand die denkt dat ze haar emoties op orde heeft. Daar wilde ik een hele gevoelige broer tegenover zetten, een man die de hele tijd huilt.”

De mannen in het boek zijn allemaal slapjanussen.

Lachend: „Oh jee, heb ik het weer gedaan? Ik vind de mannen in het boek eigenlijk vooral gemoedelijk. Het is zonde dat je personages al snel symbolen voor iets groters lijken te worden. Het enige wat ik doe is dat ik van elke dokter een vrouw maak en van elke schoonmaker een man. Dat is een bewuste, flauwe ingreep.”

In de beginscène belt de broer huilend op omdat zijn been geamputeerd moet worden.

„Dat kreeg ik in de schoot geworpen. Mijn eigen vader was ziek – kanker, maar dat is allemaal goed afgelopen – en door de chemo kreeg hij bloedproppen in zijn been. Ik kreeg een telefoontje van mijn moeder vanuit het ziekenhuis dat hij geopereerd moest worden, om te kijken of ze zijn been konden behouden. Ik flipte helemaal. Je hebt niet zo vaak dat je verbaasd bent over je eigen emoties. Ik werd boos en hysterisch en toen dacht ik: zo begint het verhaal.”

Uw eigen broer is aan kanker gestorven. Ik kan me voorstellen dat dat bij het schrijven van dit boek dichtbij kwam.

„Ik gebruik situaties, maar de personages in mijn boeken lijken nooit op mensen die ik ken. De broer in het Boekenweekgeschenk huilt onophoudelijk, mijn broer deed dat zeker niet. Ik ben de huilebalk van de familie. Het gevoel dat iemand ziek wordt in je familie, ken ik natuurlijk wel – en hoe dat je een irrationeel schuldgevoel oplevert. Dat komt uit mijn eigen leven. Ik pak die gevoelens alsof het abstracte dingen zijn: paniek over het been van mijn vader, schuldgevoel over het lijden van mijn broer – dat stop ik in het verhaal.”

Uw boeken zijn toegankelijker en opener geworden. Geldt dat ook voor uzelf?

„Ik was altijd iemand die óf onder een deken wilde liggen en niemand wilde zien, óf op de tafel wilde dansen. Lang was het zo dat als ik dat laatste deed, ik daarna drie weken dood wilde. Dus, dacht ik, laat ik maar binnen blijven.”

Gerritsen schenkt melk in haar thee: „Hé, zonder trillen.” Ernstig: „Kijk, als je je wereld heel klein maakt, dan word je bang voor de bakker. En als je hem wat groter maakt, dan word je bang voor De Wereld Draait Door. Of om naar Buenos Aires te vliegen. Die angst blijft toch wel. Dan kun je misschien beter een beetje plezier hebben… Dit is een wat vage theorie.”

Heeft u plezier tijdens het schrijven?

„Dat wisselt. Nu ben ik bezig met het schrijven van een film, tussen alle drukte van de Boekenweek door. Dat voelt als ontspanning. Tijdens het schrijven ben ik het minst naar binnen gekeerd, dan kom ik uit mijn eigen hoofd. Dus als het slecht gaat, is het prettig om met die personages bezig te zijn. Als ik heel gelukkig ben en de tijd heb, kan het juist moeilijk gaan. Tegenwoordig zeg ik vaak tegen mezelf: wees baldadig. En dan mag ik alles schrijven.”

In uw column in de VPRO-gids schrijft u veel over uw persoonlijk leven, over uw scheiding en uw dochter.

„Ik denk nooit: wat erg dat mensen dit of dat van me weten. Vroeger was ik een flapuit: geheimen doorvertellen, onzekerheden tegen iedereen hardop in het gezicht schreeuwen. Ik weet nu beter wat ik wel en niet moet zeggen. Uiteindelijk is het alleen interessant als je een verhaal vertelt. En ik vind luisteren steeds leuker.”

Bent u als schrijver minder beschaamd?

„Toen ik studeerde dacht ik: zolang mijn ouders leven kan ik niet over seks schrijven. Maar ja, er valt een boel af als je alles wat je niet in de kamer van je ouders kunt bespreken, niet in je boek kunt schrijven.”

Wilde u al vroeg schrijver worden?

„Nee, maar ik schreef wel altijd. Bij ons thuis waren niet veel boeken of zo. Daardoor was het echt iets van mij. Ik ben begonnen op de Academie voor expressie door woord en gebaar. Ik wilde actrice worden. Op de bühne staan vond ik leuk, maar het acteren viel tegen. Dan hadden we een presentatie waarbij ik heel veel lol had, maar later hoorde dat ik vooraan stond en heel veel ruimte innam.”

Volgende week staat u in een volle Stadsschouwburg op het Boekenbal. Bent u trots?

„Het Boekenbal is een bizar feest, dat heeft niets met trots te maken. Trots moet dicht bij de prestatie zitten. Heel langzaam begint dat een beetje te komen, maar het is moeilijk. Mijn opa zei: alles waar ‘te’ voor staat is niet goed, behalve tevredenheid. Over Broer ben ik tevreden. Maar misschien ook wel omdat het me gelukt is om een soort hoopvolle wending aan het verhaal te geven. Dat probeer ik al jaren en dat lukt me dan net in de laatste drie zinnen.”