Ik heb nooit een dikke huid gekregen

Ze zette zich af tegen het drammerige van links, maar moest zelf het drammen afleren als jonge politica, vertelt Femke Halsema, die haar politieke memoires schreef. „Zo iemand als Maxime Verhagen is hard. Daar had ik het heel moeilijk mee.”

Femke Halsema: „Mijn moeder zei: je moet je intelligentie gebruiken om je emoties aan te sturen. Dat heb ik met moeite geleerd.” Foto Rogier Cremers

Middenin een betoog over de huidige politieke leiders aan het Binnenhof houdt Femke Halsema (49) plotseling op met praten. „Weet je, ik zit mezelf nu te forceren. Eigenlijk volg ik de politiek niet zo goed meer.”

Is dat echt zo? Of wíl ze het vooral? Hoe het ook zij – vijf jaar na haar vertrek uit de politiek oogt Halsema ontspannen en vrolijk. Je krijgt niet de indruk dat ze het Haagse leven erg mist: dwangmatig Teletekst bekijken, gespannen de kranten scannen omdat elk bericht een potentiële rel kan bevatten. „Dat doe ik allemaal niet meer.”

In december 2010 zwaaide Halsema af als leider van GroenLinks. De formatie van Paars Plus was gestrand, GroenLinks stond een nieuwe periode in de oppositie te wachten. Het is klaar, schrijft ze in Pluche, haar politieke autobiografie die nu in de boekhandel ligt. „En de reden is simpel. Ik heb er genoeg van.”

Eigenlijk was ze al eerder klaar met de politiek. „Ik raakte een beetje verveeld. Dan stond er weer iemand te tetteren aan de interruptiemicrofoon en dacht ik: dat heb ik al zeven keer langs horen komen.”

Omwentelingen

Twaalf en een half jaar zat Halsema in de Tweede Kamer, waarvan acht jaar als fractievoorzitter. Ze verwierf een reputatie als scherp debater die gepassioneerd de rechtsstaat verdedigde. In haar partij probeerde ze af te rekenen met linkse nostalgie en een hervormingsgezinde, links-liberale koers uit te zetten. Het electorale succes kwam pas laat: in 2010, een half jaar voor haar vertrek, wist ze GroenLinks naar tien zetels te tillen.

Halsema’s carrière viel samen met een periode van ongekende omwentelingen in de Nederlandse politiek: 11 september, de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, de entree van Geert Wilders, Ayaan Hirsi Ali en Rita Verdonk. Als oppositiepoliticus zat Halsema weliswaar niet in het centrum van de macht, maar aangezien politieke memoires in Nederland een zeldzaamheid zijn, geeft Pluche toch een boeiende inkijk in het parlementaire werk. Daarbij spaart Halsema zichzelf niet: ze is openhartig over haar dilemma’s en geeft fouten ruiterlijk toe.

U bent altijd een outsider gebleven, schrijft u in uw boek. Nooit een volbloed GroenLinkser geworden.

„Ik denk niet dat het GroenLinks-kader door dit boek meer gesteld op me raakt. Ik heb altijd redelijk wat afstand gehouden, en dat maakte het activistische deel van GroenLinks altijd al kwaad. Ze riepen: ze is rechts en neoliberaal, elitair en ze hoort er niet bij. Dat klopte niet, maar ze voelden wel terecht aan dat ik een beetje los in m’n jasje zat. Ik heb me nooit zo verbonden met een politieke partij gevoeld.”

Als GroenLinks-leider verzette u zich tegen de bozige, activistische anti-houding van links. Toch beschrijft u uzelf in uw eerste jaren als precies zo’n drammerige politicus.

„Ja. Ik was naïef. Ik dacht dat politiek om de schoonheid van het debatteren draaide. Ik was net dertig, kreeg de portefeuille asielzaken en was niet voorbereid op het onheil waarmee ik geconfronteerd werd. Je had toen ‘witte illegalen’ die in hongerstaking gingen. Totale ellende. Ik werd niet politiek-ideologisch boos, ik was écht boos. Dat was totaal ineffectief. Mijn moeder zei: je moet je intelligentie gebruiken om je emoties aan te sturen. Dat heb ik toen met moeite geleerd.”

U was nog geen jaar partijleider toen u beviel van een tweeling. U twijfelde of u de combinatie fractievoorzitter-kinderen aan zou kunnen, schrijft u. Hoe hield u het toch vol?

„De politiek was ook een eervol vak, daar kreeg ik veel adrenaline van. En alle beginnende ouders met dubbele banen werken zich kapot. Ze kennen de stress van een stilstaande trein waar je in zit terwijl de kinderopvang dreigt te sluiten. Gelukkig is mijn partner freelance filmmaker en kon hij er veel voor de kinderen zijn. Maar als ik nu terugkijk op die eerste twee jaren: het was een totale chaos. Bij het schrijven van het boek haalde ik uit die periode alles door elkaar. In mijn geheugen was het dichte mist.”

U schrijft ook dat u niet van ruzie houdt. Dat lijkt lastig in de politiek.

„Ik geloof niet dat ik er echt in ben geslaagd een dikke huid te krijgen. Mijn geluk was dat ik een groep gelijkgestemden om me heen had: Kees Vendrik, Ineke van Gent, Tom van der Lee. Bovendien had ik een aantal mensen uit andere partijen met wie ik goed kon opschieten. Alexander Pechtold. André Rouvoet. Kijk, zo iemand als Maxime Verhagen is hard. Daar had ik het heel moeilijk mee.”

Met premier Balkenende had u duidelijk ook moeite.

„Ja, maar ik had ook een beetje met hem te doen. Balkenende heeft iets onbeholpens. Hij is toch een beetje door de omstandigheden premier geworden.”

U beschrijft Mark Rutte als iemand die best met GroenLinks wil samenwerken, maar altijd op het laatste moment z’n knopen telt.

„Hij is een betere electorale politicus dan ik. Op het moment suprême maakt hij keuzes die in de eerste plaats goed zijn voor de positie van de VVD.”

Hoe kijkt u nu naar Rutte?

„Nog altijd met waardering. Ik was erg op hem gesteld. Al zou Rutte wat meer moreel leiderschap mogen tonen, met name ten opzichte van Geert Wilders. Staatsmanschap!” Ze onderbreekt zichzelf. „Ik wil niet op de stoel van Jesse Klaver gaan zitten. Laat ik het zo zeggen: de twaalf jaar dat ik in de politiek zat, vielen samen met een verruwing en verrechtsing van het debat. Toen ik eind jaren negentig Kamerlid werd, was het ondenkbaar dat je politieke of culturele minderheden zó verantwoordelijk stelde voor alles wat mis was in Nederland. En het verweer tegen deze verruwing heeft altijd bij de kleine politieke partijen gezeten. Bij D66, bij mij, bij de Christen Unie, deels bij de SP. Het establishment – VVD, CDA en PvdA – hebben in die twaalf jaar nooit een norm durven stellen.”

Is die verruwing na uw vertrek erger geworden?

„Ja, het wordt steeds intenser. Door de vluchtelingencrisis, het conflict over Europa, de economische crisis. Cultureel conservatisme gedijt nu eenmaal goed bij economische onzekerheid. Al zul je mij niet horen zeggen dat het allemaal slechter is dan vroeger. Ten tijde van Paars, in de jaren negentig, was de politiek heel gesloten. Gelukkig is dat minder geworden. Straatrumoer is de politiek in gekomen, op zich is dat goed. Ook al luister je daar soms met gekromde tenen naar.”

Sinds haar vertrek heeft Halsema een nieuw bestaan opgebouwd als zzp’er: ze is bestuurder bij de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) en de Weekbladpers. Daarnaast bedacht ze de politieke dramaserie De fractie, werkt ze aan een documentaireserie en schrijft ze artikelen.

Het kostte haar enige moeite om GroenLinks los te laten. Kwestie van „overmatige bemoeizucht”, zoals ze droogjes constateert. Maar het had ook te maken met de diepe vertrouwenscrisis waarin de partij onder haar opvolger Jolande Sap belandde – uitmondend in een dramatische verkiezingsnederlaag in 2012.

„Na het vertrek van Jolande was ik even heel boos, wilde ik niets meer met GroenLinks te maken hebben. Hoe ze met haar zijn omgesprongen, dat was zó grof.” Ook de manier waarop haar protegé Tofik Dibi werd behandeld toen hij zich kandideerde als partijleider, maakte Halsema woedend. „Hoe onverstandig het ook van hem was, hij heeft daar tot op de dag van vandaag last van. Ze hebben hem beschadigd.” Tegenwoordig heeft Halsema een „neutrale verhouding” met GroenLinks. „Af en toe zoekt Jesse Klaver contact. Dat is prettig.”

Er was nog een ander opmerkelijk moment, twee jaar na haar afscheid. In Pluche onthult Halsema dat Lodewijk Asscher, de huidige PvdA-vicepremier, haar tijdens de formatie van 2012 belde met de vraag of ze minister wilde worden in het kabinet-Rutte II. Op persoonlijke titel. Binnenlandse Zaken was nog vrij, net als de nieuwe portefeuille Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel.

Hoewel haar eerste gedachte ‘nee’ was, vertelt Halsema, ging haar „politieke bloed toch weer even stromen”. Maar voordat ze tot een keuze was gekomen, bleek coalitiepartij VVD haar eventuele voordracht te hebben geblokkeerd.

Uw boek leest niet bepaald als een aansporing voor jongeren om de politiek in te gaan: de werktijden, de streken van andere partijen, de bedreigingen.

Verbaasd: „Oh nee? Nou ja, ik heb ook geen pamflet willen schrijven om mensen de politiek in te helpen. Toch schrijf ik ook dat ik veel lol heb gehad. Misschien krijgen mensen vooral een reëler beeld van de politiek.”

Is het vak van politicus veranderd?

„Er is steeds meer infotainment. Burgers verwachten dat politici dichtbij staan, maar het gevolg is dat de politicus steeds meer op de buurman gaat lijken en waarom zou je je van hem iets aantrekken? Al zie je ook dat politici als Asscher, Aboutaleb en Klaver er handig mee omgaan. Zij begrijpen wat moderne media van je verlangen. Ik was al die tijd toch een beetje stekelig.”

U vindt Klaver een betere politicus dan u was?

„Ja, in een aantal opzichten zeker. Ik vond mezelf niet slecht, maar ik vind hem een heel goede politicus. Hij is beheerster en ambitieuzer dan ik. Je voelt zijn wil om te winnen.”

U had ‘der Wille zur Macht’ niet, schrijft u.

„Ik wilde niet verliezen, maar dat is iets anders dan de wil tot macht. Ik heb het streven naar de macht eigenlijk nooit chic gevonden. Als we thuis Risk spelen krijgt iedereen op een gegeven moment verhitte koppen, ik haak dan af en ga een serie kijken.”

U was een van de weinige prominente vrouwen in de politiek. Waarom?

„Er heerst een enorme ouwejongenskrentenbrood-atmosfeer. Bij de grote partijen worden vrouwen wel minister gemaakt, maar ze zijn nog nooit politiek leider geweest. Edith Schippers van de VVD zou een prima premier zijn, maar wedden dat ze gepasseerd gaat worden door aanstormende Halbe Zijlstra’s?

„Ik denk niet dat er een complot achter zit. Mannelijke politici voelen zich gewoon minder op hun gemak met vrouwen, dus gaan ze een beetje samen zitten klitten. Dat is eigenlijk wat die mannen altijd doen. Omdat ik er langer zat en goede grappen kon maken, werd ik een beetje one of the guys. Ze werden niet meer ongemakkelijk van me.”

U schrijft dat veel parlementair journalisten de politiek louter zien als spel en politici als draaikonten. Heeft u dat beeld willen weerleggen?

„Ja. Bijna elk gesprek met een parlementair journalist is een gevecht. De peilingen zijn wel slecht hè, mevrouw Halsema? En u zegt nu wel dit, maar bedoelt u niet dat? Er wordt permanent getwijfeld aan je integriteit – met name door televisiejournalisten. Het gevolg is dat vaak niet klopt wat je ziet of leest. Mensen realiseren zich niet dat ze meestal naar de opvatting van de journalist over een politicus kijken.”

U beschrijft hoe blij u was toen u een blog kreeg en kon twitteren.

„Ja, voor het eerst had ik rechtstreeks toegang tot het publiek. Een grote partij weet de pers nog wel te bereiken, voor een oppositiepartij is dat moeilijker. Probeer maar eens een item in het NOS Journaal te krijgen.”

Tenzij je Wilders heet.

„Voor schelden en hard schreeuwen maken jullie parlementair journalisten graag een uitzondering.”

Nog even over dat telefoontje van Asscher in 2012. Daar stond vorig jaar iets over in Vrij Nederland en toen heeft één van ons u een sms’je gestuurd...

„O jee.”

Dat wilden we u even laten zien. Het antwoord luidde: „Ik weet van niets”.

„Ik heb een bril nodig.” Ze rommelt in haar tas.

Dat is toch jokken?

„Oké… Een klein beetje jokken.”

U bent ook geen heilige.

„U heeft helemaal gelijk. Politici zijn bepaald geen heiligen. Ik ook niet.”