Heel rijk worden, hoe werkt dat?

Geld. Zoveel dat je er in kunt rondduiken als een dolfijn, er gangen in kunt graven als een mol en het in de lucht kunt gooien zodat het op je kop klettert. Heel veel geld heet het boek van adviseur en onderzoeker Sam Wilkin. Hij verdiepte zich in de vraag hoe de allerrijksten aan hun vermogen komen.

Als je mij zou vragen wat er nodig is om rijk te worden, zou het antwoord zijn (na een paar slechte grappen): word ondernemer. Maar uit Wilkins boek blijkt dat ik er grotendeels naast zit.

Het Amerikaanse zakenblad Forbes telde afgelopen week wereldwijd 1.810 miljardairs. En ja, het merendeel van hen is ondernemer. Maar ondernemerschap op zichzelf betekent niets. Waar we vanaf moeten, betoogt Wilkin, is de gedachte dat mensen met heel veel geld ook heel veel slimmer, sneller of beter zijn dan de rest. Dat ze hun concurrenten verslaan. Hun rijkdom is er juist op gebaseerd dat ze zo weinig mogelijk concurreren.

Neem de beroemde Amerikaanse ‘robber barons’ als spoorwegtycoon Cornelius Vanderbilt, staalkoning Andrew Carnegie en oliemagnaat John D. Rockefeller. De manier waarop zij hun geld vergaarden was door het creëren van monopolies. Door praktijken die nu illegaal zijn, zoals de vorming van kartels, werkten ze hun concurrenten de markt uit. Rockefeller controleerde in 1877 ruim 90 procent van de olieraffinage in de VS. Op deze manier kon hij zijn eigen winstmarges dicteren en werd hij de rijkste mens ooit. Uiteindelijk vormde dit de aanleiding voor het ontstaan van mededingingswetgeving in de Verenigde Staten.

Met de huidige steenrijken is het niet veel anders. De Mexicaanse miljardair Carlos Slim werd steenrijk doordat hij in 1990 het telecommunicatiemonopolie van de staat overnam. Het bedrijf controleert tot op de dag van vandaag 90 procent van de Mexicaanse markt.

En ook Bill Gates werd rijk door concurrentie zoveel mogelijk uit te sluiten. Volgens Wilkin is een van Gates’ grootste voordelen dat zijn vader advocaat was. Gates sloot als kind al contracten met vrienden en was een van de eersten die een manier vond om zijn software juridisch te beschermen.

Waar Gates ook van profiteerde is het ‘netwerk-effect’. Dit betekent dat een dienst of een product voor een klant waardevoller wordt, naarmate er meer mensen gebruik van maken. Als jij de enige bent die Microsoft Office (of Facebook, of WhatsApp) gebruikt is dat niet zo spannend. Maar als iedereen het gebruikt, doe je mee. Zo zijn binnen tal van technologiemarkten natuurlijke monopolies ontstaan.

Kort en goed. Ja, wie leuk wil verdienen moet een bedrijf beginnen. Maar nee, door de onderlinge concurrentie in de meeste markten zul je nooit een echte Dagobert Duck worden. Wie écht rijk wil worden moet een monopolie verwerven. Bijvoorbeeld door een bedrijf te starten in een opkomende economie waar vriendjespolitiek en kartelvorming nog altijd geen probleem zijn.

Voor wie liever een gewone baan wil, heeft Wilkin ook een tip. Kies een beroep dat door de overheid wordt beschermd tegen al te veel concurrentie. Arts of advocaat bijvoorbeeld. Steenrijk zul je niet worden, maar als mini-monopolist zul je weinig serieuze geldzorgen kennen.