Getuige van de massamoord in Treblinka

Met Samuel Willenberg (1923-2016) stierf de laatste overlevende van het kamp Treblinka. Elk jaar keerde hij er terug om scholieren zijn verhaal te vertellen.

Na zijn pensionering werd Samuel Willenberg beeldhouwer. Zijn beelden gaan over zijn oorlogservaringen.

Volgens de Amerikaanse documentairemaker Alan Tomlinson zijn er twee soorten Holocaustoverlevenden. „De meesten hebben de herinneringen aan de Shoah weggedrukt”, zegt hij. „Ze spreken er niet over. Maar er is ook een groep die de gebeurtenissen heeft omarmd. Deze mensen leven met hun herinneringen en voelen zich gedwongen die met anderen te delen.”

Samuel Willenberg, de laatste overlevende van vernietigingskamp Treblinka, behoorde volgens Tomlinson tot de laatste categorie. Hij noemt diens overlijden, vorige maand in Israël, een belangrijk moment in de geschiedenis. „Er zijn nu geen getuigen meer van wat zich in Treblinka heeft afgespeeld: de systematische moord op 900.000 mensen, voor het overgrote deel joden. Alleen historici kunnen nog navertellen wat daar is gebeurd.”

Tomlinsons documentaire Treblinka’s last witness uit 2014 vertelt het levensverhaal van Willenberg, een man die de hel op aarde zag maar zijn spirit niet verloor. „Ik heb heel wat mensen voor mijn camera gehad”, vertelt Tomlinson vanuit Florida. „Maar nooit eerder ontmoette ik zo’n geboren verteller als Samuel. Ik hing aan zijn lippen.”

Om hem heen werden joodse mannen van straat geplukt

Willenberg werd 93 jaar geleden geboren in het Poolse Czestochowa. Zijn vader Perec was een bekende joodse kunstenaar. Zijn moeder Maniefa, van oorsprong Russisch-orthodox, was huisvrouw. Willenberg had een oudere zus, Itta, en een jaar jongere zus, Tamara. Het gezin woonde in een arbeiderswijk, waar joden en niet-joden in vrede met elkaar samenleefden, tot de inval van het Duitse leger in september 1939. Voelde Willenberg zich voor die tijd een Poolse patriot, nadien werd hij behandeld als ‘jood’, vertelt hij in Treblinka’s last witness. Om hem heen werden jonge joodse mannen van straat geplukt; het begin van de officieuze destructie.

Zijn vader wist valse papieren te bemachtigen en vluchtte naar Warschau. Zelf vond Willenberg met zijn moeder en zussen onderdak bij vrienden. Nadat Itta en Tamara gevangen waren genomen tijdens een bezoek aan hun ouderlijk huis, gaf Willenberg gehoor aan een oproep van de joodse raad om te verzamelen bij de plaatselijke veemarkt. Met zesduizend andere joden werd hij op transport gesteld naar Treblinka.

Dat hij het beruchte vernietigingskamp overleefde is een wonder, zegt Tomlinson. „Bijna iedereen die daar terechtkwam werd vermoord. Degenen die het overleefden, maakten deel uit van een werkcommando.” Willenberg had het geluk dat hij bij aankomst een buurtgenoot uit Czestochowa tegenkwam. De dwangarbeider gaf hem een levensreddend advies: Zeg dat je metselaar bent.

In Treblinka achterhaalde Willenberg het lot van zijn zussen. Hij zag op een dag twee bekende kledingstukken liggen: het door zijn moeder vermaakte groene jasje van Tamara en de blauw-wit gestreepte rok van Itta. „Ik voelde haat maar kon niet huilen”, vertelde hij Tomlinson tijdens een gesprek in Treblinka, bijna driekwart eeuw later. „Het was de laatste ontmoeting met mijn zusjes.”

Op 2 augustus 1943 nam hij met tweehonderd andere gevangenen deel aan een opstand. Slechts 67 van hen overleefden de oorlog. Hun verhalen zijn voor historici een belangrijke bron van informatie, omdat de nazi’s voor sluiting van het kamp alle bewijzen van massamoord hadden vernietigd. „Samuel ging elk jaar terug naar Treblinka om zijn verhaal aan scholieren te vertellen”, zegt Tomlinson. „Dat had volgens hem meer impact dan het verhaal van een historicus.”

Na zijn ontsnapping vond Willenberg zijn ouders terug in de Poolse hoofdstad. Hij durfde hun niet te vertellen wat er met Itta en Tamara was gebeurd. Toen in augustus 1944 de Opstand van Warschau uitbrak, sloot hij zich aan bij het verzet tegen de Duitsers. Zijn moed zou worden beloond met een hoge onderscheiding. De Poolse president Andrzej Duda refereerde er na Willenbergs dood op twitter aan. Ook prees hij hem als beeldhouwer.

Over Willenbergs sculpturen is veel minder bekend dan over zijn oorlogsverleden. „Hij heeft er ook maar dertien gemaakt”, zegt Evelin Akherman, curator van museum Beit Lochamei Hagetaot, dat zijn werk tentoonstelde. Ze vertelt dat hij er pas na zijn pensionering mee begon, nadat hij veertig jaar voor het Israëlische ministerie van Volkshuisvesting had gewerkt. „Hij wilde met zijn beelden iets tastbaars achterlaten voor toekomstige generaties.”

De beelden zijn huiveringwekkend in hun eenvoud: een vader die de schoenen van zijn zoon verwijdert voor het betreden van de gaskamer, dwangarbeiders die een lijk verplaatsen. Willenbergs laatste wens was dat de beelden een permanente plek zouden krijgen in een nog op te richten museum op het voormalige kampterrein.

Willenberg laat een vrouw, dochter en drie kleinkinderen na in Israël. Hij noemde zijn familie „mijn ultieme wraak” op Hitlers poging de joden uit te roeien.