Dat ik Studio 54 overleefd heb is een wonder

Bianca Jagger reed op een wit paard over de dansvloer, Truman Capote sliep er zijn roes uit. Eind jaren zeventig was discotheek Studio 54 de plaats waar de rich and famous zich onderdompelden in een losbandig nachtleven.

Boven: Mick Jagger op de verjaardag van zijn vrouw Bianca in 1977.

Dat ik Studio 54 heb overleefd is een wonder. Niet zozeer wat drank en drugs betreft (viel reuze mee in mijn geval), maar vanwege mijn luchtige kledij. Want daar stond ik dan, in de krakende vrieskou, bij min zoveel, in een doorzichtig T-shirt en een flinterdunne, zilverkleurige zijden broek, blauwbekkend in de rij voor de ingang. Ik bezat geen hippe winterjas, slechts een oerdegelijke jopper, en no way dat je in zo’n jas ooit binnen werd gelaten, dus die bleef thuis. Ik was niet beroemd, noch een oogverblindend model, dus moest ik het hebben van een excentrieke outfit om binnen te geraken.

Doorbitches 

De portiers annex buitenwippers (doorbitches genaamd, of clipboard-nazi’s, vanwege de clipboards die ze vasthielden waarop de namen stonden van de vips en andere genodigden, waar ik natuurlijk nooit toe behoorde) hielden er een toegangsbeleid op na waar Wilders nu jaloers op zou zijn. Dranghekken werden er soms bijgehaald om de smachtende meute in het gareel te houden en het kaf van het koren te scheiden. De ene na de andere limo spuwde een beroemdheid uit, dan wel iemand van een verpletterende schoonheid, voor wie rap het koord werd geopend (of was het een ketting, mijn geheugen twijfelt) en die dus linea recta naar binnen kon lopen. Wij hadden het nakijken.

Ik denk dat het me een keer of drie lukte binnen te komen, op de valreep, toen het al bijna ochtend was, zoals ik vroeger op school ook altijd als laatste werd gekozen bij de gymlessen. Minstens het dubbele aantal keren heb ik zonder resultaat buiten staan kleumen. Dan was het afdruipen geblazen en je warm drinken in een of andere club die sneue types als ik wel binnenliet. Dat waren avonden die niet bijdroegen tot een gunstig zelfbeeld. Sterker, ze waren voor iemand van 22 jaar egoverpletterend. Maar de lokroep van Studio 54 was sterker dan een gekneusd imago, dus een week later stond ik er weer.

Achteraf bleek dat ik in goed gezelschap was. (Had ik dat toen maar geweten, had veel gescheeld in het verloren gevoel van eigenwaarde.) Nile Rodgers, oprichter en gitarist van discoband Chic, mocht ook niet naar binnen. Ik ontmoette hem enkele jaren geleden, toen hij met zijn nieuwe band optrad in het Four Seasons Hotel in Hongkong waar ik logeerde. We raakten aan de praat, beiden wachtend op een taxi.

Een uiterst aimabele man die niet te beroerd was me het beroemde verhaal te vertellen over die oudejaarsavond in 1977 toen hij door de doorbitch met een weinig verheffend ‘fuck off’ weg werd gestuurd, waarna hij zijn woede omzette in een legendarische discosong die wereldfaam zou verwerven. Fuck off werd daarin verbasterd tot Freak out (‘Come on down to the 54’).

Uniek fenomeen

Studio 54 was een uniek fenomeen. De roem werd na de sluiting, in 1979, steeds groter. In de overlevering is het met terugwerkende kracht uitgegroeid tot zowel het begin als het einde van een tijdperk.

Legendes zoals deze groeien in het collectieve geheugen uit tot ongekende proporties, terwijl ook na de sluiting het tijdperk van Sodom en Gomorra – pre-aids, vrije seks, drank en drugs – nog niet voorbij was. Bovendien waren de hoogtijdagen kortstondig, van 26 april 1977 tot de meer dan dramatische sluiting op 17 december 1979, toen de belastingdienst binnenviel, de administratie (voor zover die überhaupt bestond) na lang zoeken (verborgen boven de plafondplaten) confisqueerde, alsmede een lading cocaïne en zakken vol contant geld.

De twee eigenaren, Steve Rubell en Ian Schrager, werden gearresteerd en de club werd met directe ingang gesloten. Rubell verklaarde in een interview met Vanity Fair in 1987 dat „mensen het zich mooier herinnerden dan het in werkelijkheid was. Er waren grandioze feesten die de wereldpers haalden, en avonden waarop iedereen die iets voorstelde binnen was, maar er waren ook vele, vele saaie nachten”. De roem van de club werd mede vergroot door de boeken, documentaires en films die over Studio 54 werden uitgebracht, met tot de verbeelding sprekende titels als The Last Party en The Legend.

First ladies

Waarom juist Studio 54 uitsteekt boven alle andere beroemde en beruchte clubs, valt niet exact te duiden. Wellicht was het mede een kwestie van de juiste tijd en de juiste plaats. Maar ook het gevoel voor de Zeitgeist van vooral Steve Rubell, die de uitzinnige feestthema’s bedacht, beroemdheden binnenhaalde en het strenge toelatingsbeleid introduceerde, kan niet worden onderschat. In een tijd waarin de genotzucht nauwelijks grenzen kende (aids bestond nog niet – tenminste, voor zover men wist), drugs werden beschouwd als een chic middel om een vrijgevochten levensstijl te praktiseren, en slecht gedrag het bewijs tot een elitegroep te behoren die de middelmaat ver achter zich liet, wist Rubell al deze ingrediënten zeer succesvol te mixen.

Als het maar op het randje van de burgerlijke samenleving balanceerde. De club bevond zich in een slechte buurt, West 54th Street, waar nette mensen nooit kwamen. Minderheden als homo’s en travestieten verleende hij de ultieme A-status. „Studio 54 is biseksueel”, zei Rubell in het blad Interview. „Zeer, zeer, zeer biseksueel, zwart biseksueel.” Alles ademde een sfeer van verboden waar, wat natuurlijk een enorme aantrekkingskracht had. Dat politieke correctheid toen nog niet bestond, bewijst vooral ook het publiek dat de club bezocht.

Natuurlijk gaven alle beroemde film-, mode- en popsterren die je in zo’n tent kon verwachten acte de présence: Michael Jackson (toen nog zwart), Andy Warhol, Mick Jagger, David Bowie, Grace Jones, Liza Minnelli, Halston (in die jaren Amerika’s meest invloedrijke modeontwerper), Elizabeth Taylor, Elton John, Cher, Calvin Klein, Diane von Furstenberg. Maar ook in- en inkeurige, soms al lang de clubleeftijd ontgroeide types als pianist Vladimir Horowitz en zijn vrouw, Canada’s First Lady Margaret Trudeau, Amerika’s ex-First Lady Betty Ford (heel wat aanwezigen zouden trouwens in haar afkickkliniek terechtkomen), feministe en sociaal-activiste Betty Friedan, Bella Abzug (lid van het House of Representatives) en de eerbiedwaardige talkshowhost David Susskind.

Allesbehalve chic

Tegenwoordig zou dat soort mensen niet dood gevonden willen worden in zo’n gelegenheid, en zou het zelfs het einde van hun carrière betekenen. Elke associatie met drugs vinden we nu immers allesbehalve chic, crimineel zelfs. Maar Bella Abzug vierde haar verjaardag onder een enorme, cokesnuivende halve maan met een reusachtige neus die aan het plafond hing, waar een niet minder enorme, op en neer bewegende lepel vol nepcocaïne in verdween, terwijl op cocaïne lijkend wit poeder als sneeuw over de dansvloer dwarrelde.

De politieke correctheid van nu noopte Bianca Jagger er zelfs later toe haar gedrag van toen te veroordelen. Als echtgenote van The Rolling Stones-zanger Mick was ze een vaste en notoir liederlijke gast in Studio 54. Ze vierde er haar verjaardag, omringd door fladderende witte duiven, gezeten op een wit paard dat over de dansvloer paradeerde. De inmiddels fanatiek mensen- en dierenrechtenactivist Bianca noemt dat nu „schaamteloos”, en „dieronvriendelijk. Ik was jong en wist niet wat ik deed”.

Dronkenmansroes

Wat ik me herinner uit die tijd is vooral de enormiteit van de ruimte. Een schier eindeloze en hemelhoge ruimte, met een dansende meute die – lees ik nu op internet – gemiddeld bestond uit zo’n 2.500 mensen. Het waren afmetingen en bezoekersaantallen die tot dan toe ongekend waren in het uitgaansleven. Ook herinner ik me de geur. Of beter gezegd: de stank. Alsof je in een zwembad met chloor stapte. Kenners weten wat ik bedoel , want het rook er naar poppers, de seksaanjagende drug die bij menigeen om de nek hing in een leuk vormgegeven flesje. Onder het dansen kreeg je het van jan en alleman onder je neus gewreven. Even snuiven, instant kloppende bloedstroom naar de hersenen en zwetend doordansen maar.

Ook herinner ik me de geheime ruimtes, de zogeheten viprooms, waar de beroemdheden samenklonterden en God weet wat voor escapades uithaalden. Iedereen wilde daar natuurlijk heen, het was het Mekka in het Mekka, het ultieme centrum van de club. Daar lag de coke als een wit tapijt op de tafels, sliep Truman Capote zijn dronkenmansroes uit, lag Yves Saint Laurent te vozen met deze of gene geheel ontklede en bij voorkeur goud gespoten beeldschone jongeling en haalde elke gewillige barman zijn enorme geslacht (want daar werden ze op uitgekozen, zo de mare gaat, de wereld ingebracht door niemand minder dan Rubell zelf) uit de broek.

Onnodig te vermelden dat ik nooit tot dit epicentrum ben doorgedrongen.

De belastingdienst

„Alleen de maffia verdient meer dan wij”, vertelde Rubell trots aan de pers, wat achteraf niet zo slim was omdat de belastingdienst door die opmerking de financiën eens goed onder de loep ging nemen. Er werd in een weekend al snel 70 duizend dollar verdiend, en in het eerste jaar bedroeg de omzet een miljoen of zeven. Belasting betalen was daarbij niet de favoriete bezigheid van de eigenaars. Ze werden op de bewuste sluitingsavond gearresteerd en later veroordeeld tot ieder drieënhalf jaar gevangenisstraf plus een forse boete.

Dat zelfs crimineel gedrag de pret niet kon drukken, bewijst het grandioze feest dat de vaste Studio 54-gasten voor beide heren organiseerden op de avond voor ze naar de cel gingen. Niemand ontbrak op deze Send off to Prison-Party; Diana Ross trad op, Jack Nicholson misdroeg zich met discoqueen Carmen D’Alessio en Richard Gere was niet van de dansvloer af te slaan. Dezelfde Richard Gere inderdaad die zich nu bekommert om Tibet en ander mensenrechtenleed; het zoveelste bewijs van de politieke incorrectheid in die tijd. Being bad was good.

Toen ze vrijkwamen, probeerden Rubell en Schrager nog krampachtig met een groots opgezette heropeningsparty de club nieuw leven in te blazen, maar het momentum was voorbij en andere clubs hadden intussen de fakkel overgenomen. Wat niemand toen wist, was dat ze hun aandelen in Studio 54 al hadden verkocht aan ene Mark Fleischman. Deze teerde nog enige tijd op de oude roem, tot de club in 1986 definitief de deuren sloot. Fleischman ging linea recta naar de Betty Ford-kliniek, die door de constante stroom van voormalige clubgasten al eerder de bijnaam Betty Studio Fifty Ford Clinic had gekregen.

Inmiddels gezondheidsmaniak

Steve Rubell stierf in 1989 aan de gevolgen van aids. Ian Schrager, die de bijnaam Greta Garbo had gekregen omdat hij zich altijd fanatiek op de achtergrond hield en nooit met de pers sprak, heeft zich later op de hotelwereld gestort. Hij maakte internationaal naam met de opening van The Royalton Hotel in 1988, het eerste designhotel (toen nog boutique hotel genoemd) ter wereld, ontworpen door Philippe Starck. Hij zette daarmee een nieuwe hoteltrend die wereldwijd navolging zou krijgen. Schrager – intussen notoir geheelonthouder en gezondheidsmaniak – behoort vandaag de dag tot een van ’s werelds meest baanbrekende en financieel succesvolste ondernemers. Over Studio 54 wil hij het niet meer hebben.