Gekrakeel over geld en prijzen

In de wetenschap is gekibbel nooit ver weg. Onderzoekers pogen iets nieuws te vinden en als dat lukt, willen ze daar erkenning voor. Als andere onderzoekers min of meer hetzelfde vinden, min of meer gelijktijdig, ontstaat gekibbel over wie eerst was. Prioriteit is een punt in de wetenschap.

Ook ontstaat soms ruzie over interpretaties. Dat gebeurt vooral als niemand een proef kan bedenken die laat zien wie gelijk heeft. De geschiedenis van de geneeskunde is vol van deze conflicten. Schoolkinderen lachen nu om die domme onderzoekers die dachten dat er in elke mannelijke zaadcel een ineen gedoken mannetje zit. Probeer maar eens te bewijzen dat het niet zo is zonder elektronenmicroscoop. In de geneeskunde is het gekibbel over interpretaties verdwenen, naarmate we betere proeven kunnen doen. Nu gaat het hooguit nog over evidence: is echt aangetoond dat je geen autisme kan krijgen van vaccinatie? Ja, dat is aangetoond.

Geld compliceert het gekibbel. Dat geldt uiteraard voor de ontwikkeling van geneesmiddelen, maar ook als die niet in het spel zijn blijft geld een bron van ruzie. Ontdekkingen zijn lucratief, je krijgt er betere banen mee en prijzen, mits je iets als eerste ontdekt, niet als je zes maanden later ook nog eens aan komt zetten met dezelfde vondst. Het belang van prioriteit neemt verder toe als er iets te patenteren valt. Sommige patenten leveren geld op, zowel voor de onderzoeker als haar baas.

Al deze factoren komen nu samen in een nieuwe techniek, waarmee DNA in cellen op specifieke plaatsen geknipt kan worden, de CRISPR-Cas techniek. De toepassingen zijn legio en in het lab zijn we er inmiddels gek op. CRISPR-Cas maakt het mogelijk om genen onklaar te maken, te repareren, aan te zetten, of uit te zetten. Fantastisch speelgoed voor moleculair biologen, maar ook toepasbaar: iedereen praat inmiddels over de reparatie van erfelijke afwijkingen. De eerste pogingen om bevruchte menselijke eicellen te repareren zijn, overigens zonder succes, inmiddels in China gedaan. Voldoende basis voor lucratieve patenten en een Nobelprijs en daarmee ook gekrakeel over wie het geld en de prijs moeten krijgen.

De ruzie is opgelaaid na een recent artikel van Eric Lander in het tijdschrift Cell, waarin hij de ‘Heroes of CRISP’ beschrijft in een poging de geschiedenis te reconstrueren. Lander heeft een grote reputatie in het DNA-veld – hij gaf de laatste Anatomische Les in het Concertgebouw – maar hij is niet zonder eigenbelang. Lander is de baas van het Broad Instituut van Harvard/MIT dat in een patentgevecht verwikkeld is met andere instituten die menen de toepassing van CRISPR-Cas bij de mens te hebben ontdekt. Dat mogelijke belangenconflict was niet vermeld in Landers artikel en nu is iedereen boos op hem en Cell.

Ik laat de patentgevechten aan de juristen, maar die Nobelprijs krijgen de kakelende haantjes en hennetjes niet, als het aan mij zou liggen (quod non). Die komt toe aan de ontdekkers van CRISPR-Cas, de bacteriologen die het basale onderzoek hebben gedaan. Het waren de bacteriologen die het CRISPR-systeem ontrafelden en de toepassingen bij plant, dier en mens ontsloten, zoals bij Lander valt te lezen. Ook Nederlandse microbiologen, zoals John van der Oost in Wageningen, droegen daar aan bij. Hij identificeerde de enzymen die het DNA knippen en liet zien dat het systeem geprogrammeerd kan worden om ieder willekeurig DNA in een cel te inactiveren.

Het ontrafelen van het CRISPR-systeem was moeizaam werk. De toptijdschriften waren niet geïnteresseerd in die wonderlijke bacteriële defensiesystemen en de onderzoekers hadden de grootste moeite hun werk gepubliceerd te krijgen. Het werk werd gedaan met rare bacteriën, uit Spaanse zoutmeren, Franse yoghurt en bacteriën gebruikt bij biologische oorlogvoering (pest). Het hielp ook niet dat het onderzoek deels in obscure labs werd gedaan, in Alicante (Spanje), Vilnius (Litouwen), het Franse Ministerie van Defensie en een yoghurtfabriek.

De les is duidelijk: ontdekkingen komen vaak uit onverwachte hoek en van onderzoekers die niet meelopen met de meute. De ontdekkingen die door zulke buitenbeentjes worden gedaan, worden pas herkend en erkend tegen de tijd dat niemand er meer om heen kan en de toepassingen voor het grijpen liggen.

Het zijn die toepassingen waar over gekibbeld wordt en waar prijzen voor worden uitgereikt. Ik wil niets afdingen op die prijzen, maar die toepassingen lagen nogal voor de hand toen de bacteriologen eenmaal de basisprincipes hadden uitgevogeld. Die bacteriologen waren er helemaal niet op uit om “waarde te scheppen”, valoriseerbare gegevens te vergaren, of patenten te bemachtigen. Zij probeerden er achter te komen hoe de natuur in elkaar zit met gewoon fundamenteel onderzoek, het onderzoek dat de bron is van echte nieuwe kennis en echte nieuwe toepassingen. Hopelijk doet de Nobelprijscommissie haar huiswerk en komen ook de bacteriële pioniers straks aan bod, ook al zal dat tot kolossaal gekibbel leiden.