Een heilige als een popster

Een ‘volstrekt individualistisch, charismatisch kereltje’ noemt Henk van Os de heilige Franciscus van Assisi. Als gastconservator stelde hij een expositie over hem samen in museum het Catharijneconvent in Utrecht.

Kluizenaar in de natuur: Franciscus volgens Rembrandt, ets en drogenaald uit Teylers Museum Haarlem.

Al bijna een halve eeuw houdt Henk van Os zich als kunsthistoricus bezig met Franciscus van Assisi, zoon van een rijke Italiaanse koopman die in 1205, op zijn 24ste, afstand deed van al zijn bezittingen. Voortaan wilde Francesco (de Fransoos, genoemd naar de Franse jaarmarkten waar zijn vader als textielhandelaar zijn rijkdom vergaarde) zich in armoede en vrede wijden aan God. De hele natuur, ook de nederigste worm of de uitgestoten zieke en armoedige mens – alles hoorde volgens Franciscus bij Gods schepping. Hij wilde niets uitsluiten, maar die hele schepping omhelzen. Daarom wilde hij broeder van de minsten zijn, van de armsten en zieken. En daarom preekte hij voor de vogels.

Al 790 jaar is Franciscus dood, maar binnen en buiten de kerk dient zijn persoonlijke, radicale vorm van geloof, solidariteit met de armen en dierenliefde, nog altijd als inspiratie. Ieder jaar op zijn sterfdag, 4 oktober, wordt bijvoorbeeld Werelddierendag gevierd. De huidige paus, die een paus van de armen wil zijn, koos in 2013 zijn naam: paus Francesco.

Wie was die man die volgens zijn volgeling en eerste biograaf Thomas van Celano klein van stuk was en „rechte oortjes en een krachtige heldere stem” had? Die in 1226 op zijn 45ste overleed en al twee jaar later heilig werd verklaard? Die voor kunstenaars van Giotto tot Rembrandt en van Rubens tot Escher al bijna acht eeuwen lang een bron van inspiratie is?

In museum het Catharijneconvent in Utrecht opent zaterdag de expositie Franciscus, met Henk van Os als gastconservator. Om nader tot die raadselachtige heilige te komen, organiseerde het museum in februari een persreis naar Assisi waarbij Van Os de gids was. Al terwijl de bus de heuvels van Umbrië inreed, waar Assisi ligt en waar Franciscus veel rondwandelde, vertelde hij over zijn favoriete heilige.

Kakelend van het charisma

Franciscus was een „volstrekt individuele radicaal”, aldus Van Os. Iemand die weinig moest hebben van de kerk als instituut en alles wat daarbij hoorde – zoals, ook toen al, corruptie, kuiperijen en seksuele uitspattingen. Net als de eerste religieuze kluizenaars uit de derde en vierde eeuw wilde hij zijn geest vrijmaken, nader tot God komen in eenzaamheid en armoede.

Van Os: „Van de meeste wereldontvluchters hoor je nooit meer iets, maar als Franciscus zo’n beboste berg opging, zoals we hier voor ons zien, kwam hij kakelend van het charisma terug. In zijn eenzaamheid bereikte hij steeds zó veel dat hij daarover moest vertellen aan zijn broeders. Hij introduceerde het individualisme in de geloofsbeleving. En hij had een enorm gevoel voor theater. Als hij een melaatse kuste, was er altijd publiek bij.”

Een leer, zoals andere middeleeuwse heiligen als Thomas van Aquino hadden, had Franciscus amper. „We kennen hem vooral uit verhalen”, aldus Van Os. Verhalen die het volk aanspraken, verbeeld in schilderijen en beelden.

Franciscus is volgens Van Os en verschillende kunsthistorische collega’s van groot belang geweest voor het ontstaan van de renaissancekunst, waarin mensen en de wereld steeds realistischer, natuurlijker werden uitgebeeld. Wat dat betreft zetten Van Os en zijn collega’s zich af tegen de gangbare opvatting over het ontstaan van de renaissancekunst. In die visie was het vooral de elite die steeds minder religieus werd, en die naturalistischer kunst wilde, geïnspireerd op het individualistische mensbeeld in de klassieke oudheid. „Dat is vooral de opvatting van de 19de-eeuwse Zwitserse kunsthistoricus Jacob Bruckhardt die veel invloed heeft gehad”, zegt Van Os. „Maar die gaat voorbij aan het volkse, religieuze aspect van het indvidualisme van Franciscus, waar de Duitse kunsthistoricus Heinrich Thode vervolgens op wees. Franciscus’ opvattingen en de verhalen over hem spraken juist de massa aan. In Franciscus’ tijd groeiden de steden. Franciscus was als een popster. Hij is na Christus en Maria de meest afgebeelde heilige. Hij ontketende een rage.”

De officiële kerk zag al gauw het nut van die populariteit. Paus Innocentius III erkende Franciscus en zijn volgelingen, de minderbroeders, en Franciscus werd ingezet voor de kerkhervorming. „En zo wordt dat volstrekt individualistische charismatische kereltje Franciscus uit zijn voegen getrokken, ingekerkt, om dat door mij verzonnen werkwoord maar te gebruiken”, aldus Van Os.

Dat ‘inkerken’ begon meteen na Franciscus’ dood in 1226: zijn dode lichaam wordt door de Kerk in zijn geheel in een dichte tombe geplaatst in de pauselijke dubbelkerk die snel na zijn dood gebouwd wordt, op de berg bij Assisi. En twee jaar na zijn dood wordt Franciscus dus al heilig verklaard en stromen de pelgrims toe, hopend op wonderen. Er zijn geen stukjes van het lichaam als relikwie te zien, dus worden de schilderijen en beelden een soort plaatsvervangende relikwieën.

Ook dat begint in de basiliek in Assisi. Franciscus’ leven wordt er door de beste dertiende-eeuwse Italiaanse schilders op de muur geschilderd, zoals die uit de werkplaats van Giotto. Franciscus die al zijn kleren weggooit, die een instortende kerk eigenhandig herstelt, die tot de vogels predikt, die tijdens een kruistocht met een sultan spreekt om tot een vreedzame oplossing te komen, die water uit een rots slaat als zijn broeders dorst hebben, die de kruiswonden van Christus krijgt (de stigmata). Al die taferelen en wonderen moeten zo natuurgetrouw mogelijk geschilderd, om het volk van de waarheid van de verhalen over deze nobele volgeling van Christus te overtuigen.

De kunstzinnige verbeelding van Franciscus en de behoefte om zo natuurgetrouw mogelijk te schilderen, hebben mede daardoor een enorme vlucht genomen. Je ziet de variaties in de tijd: minder wonderen in tijden van opkomend humanisme, Franciscus als tweede Christus tijdens de (contra)reformatie. Over die chronologie, die de expositie in Utrecht laat zien, schrijft Van Os in de catalogus.

Glimmende ogen

De tentoonstelling Franciscus begint met een manshoog, levensecht Italiaans houten processiebeeld uit 1700: Franciscus met glimmende ogen van glas, gekleed in zijn armoedige, opgelapte pij, een koord eromheen met drie knopen (armoede, kuisheid, gehoorzaamheid) – zijn enige bezit. Dan volgen voorbeelden van de vroegste geschreven bronnen over hem, zoals een miniatuur van de vogelprediking uit een psalmboek van 1230 en de eerste Nederlandse vertaling van zijn heiligleven, door Jacob van Maerlant, rond 1300. Er is een schilderij uit 1428 van Fra Angelico van Franciscus bij de sultan. Er is de typisch kerkelijke propaganda uit de 16de eeuw, om Franciscus als de tweede Christus (alter Christus) voor te stellen. Tot slot zijn er moderne verbeeldingen van Franciscus, zoals het beeld dat Mari Andriessen in 1944 van hem maakte voor in de Obrechtkerk in Amsterdam, en fragmenten uit de film The Flowers of St. Francis (1950) van Roberto Rossellini.

Zo toont de expositie hoe de verbeelding van Franciscus meeverandert met de veranderde behoeften van de kerk en van het volk. De moderne Franciscus, de dierenliefhebber, is in feite een seculiere „eco-heilige”, zegt Van Os. „Hij is de meest geslaagde heilige buiten de Kerk, samen met Sinterklaas.”