Britse racefiets is voor Britten only

De Britse baanrenners hebben de snelste fietsen ter wereld. Andere landen zijn achterdochtig. Is het eerlijk dat de sport wordt beslecht naar Formule 1-model? „Nee.”

De Brit Mark Cavendish tijdens het onderdeel individuele achtervolging op de WK baanwielrennen in Londen. Adrian Dennis/AFP

Een jaar of vier geleden stuurde Theo Bos, destijds baanwielrenner in ruste maar des te actiever op de weg, een mail naar UK Sports, het door de staat gesteunde sportorgaan van Groot-Brittannië. Hij wilde wel eens weten waar hij het fietsframe van zijn Britse baancollega’s kon aanschaffen, en voor hoeveel. Het frame waar zo ontzettend geheimzinnig over wordt gedaan sinds in 2005 bekend werd dat de Olympische Spelen van 2012 in Londen zouden plaatsvinden, moet volgens de internationaal geldende regels namelijk voor iedereen te koop zijn. Maar Bos, vijfvoudig wereldkampioen, kreeg nooit een mail terug.

Jeffrey Hoogland, de beste baansprinter van dit moment, lacht tijdens het WK in Londen honend om het verhaal. „Ja, die fietsen kun je vast kopen, voor een paar ton en met een levertijd van vier jaar. Maar daar heb je voor de Spelen van Rio natuurlijk niets aan. Zo slim zijn ze wel.”

„Tonnen? Welnee!” Aan het woord is Iain Dyer, hoofdcoach van het Britse wielerteam. Hij staat naast tien van wat volgens velen de snelste fietsen ter wereld moeten zijn. „Het gaat eerder richting de 25.000 euro. Gewoon via de website van UK sports te bestellen.” Dat blijkt niet te kloppen. De linkjes naar de site waar frames, outfits en helmen te koop zouden moeten zijn, geven via allerlei omwegen steeds dezelfde 404-foutmelding.

Is er iets opvallends aan de Britse fietsen te zien? Ze zijn zwart, daar waar alle andere frames van commerciële fabrikanten beplakt zijn met stickers of zijn gespoten in een fraaie kleur. Dyer: „Dat doen ze om mankementen te verhullen. Dat hebben wij niet nodig.” Op de fiets van de Britten, die bij de internationale wielerbond UCI officieel te boek staat als ‘Metron’ (naar het bedrijf van de Griek Dimitris Katsanis, oud-baanwielrenner en sinds 2002 bedenker van de Britse frames), kun je heel duidelijk de in elkaar gehaakte carbonvezels aan de oppervlakte zien liggen. Alleen op de bovenste buis staat in witte letters ‘UK Sport Innovation’ te lezen. Dat is het uit UK Sports voortvloeiende bedrijf dat dit frame met moderne technieken in een windtunnel test. „Maar daar kan ik niets over zeggen”, grijnst Dyer. „Dan zou ik mijn baan kwijtraken. Er is maar een groepje van zes mensen dat alles weet van onze fietsen.”

Bekend is dat het bedrijf technieken gebruikt die ook bij de Britse Formule 1-fabrikant McLaren en de Britse ruimtevaart worden ingezet om de aerodynamica te meten. Daar maakt de Metron het verschil ten opzichte van andere tweewielers. Je kunt het zien als je er voor gaat staan. Lucht zal maar moeizaam vat krijgen op de spitse buizen aan het stuur en het frame. En ook de wielen zijn en face niet meer dan een dun, verticaal lijntje.

Sta je voor de Nederlandse Koga Kimera – in aanloop naar de Spelen van Beijing speciaal ontwikkeld voor Theo Bos en hier in Londen afgemonteerd met een vernieuwde voorvork; zeer spits, zeer aerodynamisch – stuit je op een dikke buis (balhoofd) die wind vangt. Harald Troost, marketingmanager van Koga: „De kracht van de Kimera is de stijfheid.” Ergo: hoe stijver het gebruikte carbon, hoe minder kracht er bij de renners verloren gaat wanneer ze trappen, en hoe accurater een fiets te besturen wordt. „Maar de aerodynamica kan beter. Dat moeten we zien te realiseren voor de Spelen van Rio.”

In 2008 stapte Bos over van de baan naar de weg, mede omdat de Britten zo sterk werden. Hij zou bij voorbaat genoegen moeten nemen met brons, en dat was aan hem niet besteed. Vier jaar later pakte ‘Team UK’ in Londen op de baan zeven van de tien gouden medailles. Vooral de wielen die gebruikt werden, waren onderwerp van speculatie.

Tim de Boer, mecanicien van de Nederlanders: „Die werden pas op het laatste moment uit de hoezen gehaald. Ik geloof dat ik ze op dit toernooi ook weer heb gezien. Ze zijn waarschijnlijk een stuk lichter dan die van de concurrentie.” Mag dat allemaal? De Boer: „Als de fiets maar niet lichter wordt dan 6,8 kilo.”

De mecanicien zag nog iets opvallends: „Elk land rijdt met twee soorten fietsen: een sprintfiets en een achtervolgingsfiets. Dat zijn twee totaal verschillende disciplines die ander materiaal vereisen. Maar bij de Britten niet. Die gebruiken één frame. Dat is toch gek?”

Niet volgens Dyer, die zegt dat zijn equipe rijdt op een frame uit 2002. Alleen in 2007 kwam er een update. „Omdat wij over zoveel financiële middelen beschikken, zijn we in staat om elk frame volledig op een individuele fietser af te stemmen. Op de lengte van de ellenbogen, de lengte van de torso. Die finetuning maakt het verschil. Daarom hebben we de snelste fiets ter wereld.”

Dat afstemmen gebeurt in een geheime windtunnel en kan worden gefinancierd met de 30,5 miljoen pond die British Cycling in de olympische cyclus 2012-2016 heeft opgehaald. Dat is per jaar 10 miljoen euro, voor de hele Britse topwielersport. Volgens Thorwald Veneberg, technisch directeur van de KNWU, moet het Nederlandse baanwielrennen het jaarlijks doen met 500.000 euro, op een begroting voor topsport van 3,2 miljoen.

Is het eerlijk dat een olympische sport wordt beslecht naar Formule 1-model, waarbij geld voor materiaalontwikkeling een grote rol speelt? Veneberg: „Nee, zeker niet, en we hebben in het verleden geprotesteerd tegen de Britten in gesprek met de UCI. Het ging ons dan vooral om de regel die zegt dat alle baanfietsen voor iedereen op de markt verkrijgbaar moeten zijn. Dat is nu niet zo. Maar die regel blijkt lastig te handhaven. Ze zeggen immers zelf dat ze wél verkrijgbaar zijn. Voor veel geld, een lange levertijd. Ja, wat ga je daar juridisch tegenin brengen?”

De Nederlandse baanrenners liggen er deze week niet wakker van. Elis Ligtlee: „Je moet zelf gewoon heel hard fietsen.”