125 jaar gemakzucht, racisme en dans

Swingmuziek werd ooit bestempelt als Hitlerism , jazzmuziek was gevaarlijk voor je organen. Lees wat vernieuwende muziek teweegbrengt in het beste popboek ooit.

Een skater naast wassenmodellen van de Zweedse popgroep ABBA in een rollerdico in Londen. Foto ADRIAN DENNIS/AFP

In 1963 schafte Billboard Magazine, het tijdschrift dat de hitlijsten in Amerika bijhield, de categorie Rhythm and Blues af. Niet omdat Billboard geen oog meer had voor zwarte muziek, maar omdat er geen verschil meer was tussen pop en soul. Motown scoorde altijd en overal, in de jaren daarna probeerden The Rolling Stones te klinken als Chuck Berry, en soulartiesten coverden gretig The Beatles en Stones. Racisme was de wereld bepaald nog niet uit, maar halverwege de jaren zestig leek het er even op dat de grenzen in de muziek definitief aan het vervagen waren.

Het duurde minder dan twee jaar en toen liepen de wegen van hitgevoelig blank en zwart weer uit elkaar, maar de magie van die jaren wordt voelbaar gemaakt in Electric Shock van de Engelse popjournalist Peter Doggett. Het is een groot en ook groots boek waarin hij de geschiedenis van de popmuziek beschrijft aan de hand van de geluidsdrager. Hij begint dus bij Edison en de wasrol, alsook bij de onfortuinlijke George Washington Johnson die zijn grote hit, ‘The laughing song’ voor elk plaatje opnieuw moest opnemen; zo’n 40.000 keer in totaal, aldus de overlevering. En dan werd hij ook nog gepresenteerd als the original whistling coon and laughing darkey, want zwarte muziek verkocht het best als die belachelijk – en dus onschadelijk – werd gemaakt.

Dit soort details vormen de kracht van dit imposante boek, misschien het beste dat ik ooit over popmuziek heb gelezen. In korte hoofdstukjes gaat hij door de geschiedenis, die hij op zo’n manier behandelt dat alles even belangrijk lijkt. Dat in de jaren zestig de beste platen gemaakt werden door The Beatles, Stones en Beach Boys, spreekt hij niet tegen, maar dat in die jaren de muziek uit Mary Poppins en The Sound of Music even goed verkocht, is voor Doggett misschien wel interessanter. Het conservatieve tegengeluid, dat altijd uit de geschiedenisverhalen verdwijnt, is als achtergrondkoor constant hoorbaar in Electric Shock.

Dat is natuurlijk een rijke bron van amusement: lachen om Swing Music is musical Hitlerism and orchestrated sex, of om de angst van een arts dat jazzdans the displacement of internal organs zou veroorzaken. Maar het is ook een goede manier om duidelijk te maken wat al die vernieuwende muziek toen teweegbracht. Want vernieuwing vindt plaats wanneer het publiek geschokt wordt door iets nieuws, en gedwongen wordt zich aan te passen.

Kijk naar de reacties op ‘Drank en drugs’ van Lil’Kleine en Ronnie Flex, die passen perfect binnen de reeks bezorgde ouders en hoeders van de goede smaak die Doggett opvoert om zijn verhaal reliëf te geven. Ook het feit dat 3FM hun muziek niet draait, en dat ze wel scoren via YouTube, sluit perfect aan bij de observaties van Doggett.

Racisme was een drijvende kracht

De huidige problemen van de muziekindustrie zijn niet uniek. Door de introductie van de radio stortte in 1932 de platenindustrie in: er werd nauwelijks nog een plaat verkocht, de labels bezuinigden en het gevolg was dat zwarte muzikanten nauwelijks een kans kregen om op te nemen. Ook in de tweede helft van de jaren twintig werd niet veel zwarte muziek opgenomen. Doggett laat scherp zien dat vroege jazz- en bluesplaten van blanken zijn, en wanneer zwarte muzikanten de kans kregen, was het vaak met inferieur materiaal.

Het is een constante in Electric Shock: racisme als drijvende kracht die de hele muziekgeschiedenis door de vernieuwing zowel tegenwerkt als noodzakelijk maakt. Soms kijk je raar op van de kritiek. Alexis Korner, toch bepaald geen groentje in de bluesmuziek, vond de intense benadering van Ray Charles ‘blasfemisch’. En wanneer platenbaas Tommy Mottola opgelucht vaststelt dat gangsta rap over zijn hoogtepunt heen is, interpreteert Doggett: popmuziek is blijkbaar makkelijker te verkopen dan de kronieken van een kansloos leven in het getto.

Doggett is een Engelse journalist, geen Amerikaan, en dat is een belangrijk gegeven. In de eerste plaats vanwege de onderkoeld humoristische toon die een superieure arrogantie verraadt, zoals blijkt in bijzinnetjes als dat over Sgt. Pepper: „als je er nuchter naar luistert, hoor je dat het costumes over content is” of, over de vroege Paul Simon: „een abjecte les in hoe je je literatuurles kunt perverteren”. Mooi is zijn beschrijving van de late waardering voor ABBA die zó algemeen was dat hij een soort ‘omgekeerde stalinistische zuivering’ vermoedt. Ook zijn beschrijving van het gitaarspel van virtuoze heavy metal-gitaristen mag er zijn: ‘alsof je een wolkenkrabber van luciferhoutjes maakt.’

Naar de platenkast! (of Spotify)

In zijn bewondering is hij al even mateloos, en ook dit is een boek dat je met grote regelmaat naar de platenkast of Spotify stuurt. Het is overigens nog maar de vraag of Doggett van dat laatste beeld wel zo vrolijk zou worden. Hij blijft ver van simplistisch cultuurpessimisme, en verlangt zeker niet terug naar de tijd dat elke individueel singeltje opnieuw ingezongen moest worden, maar een virtuele platenkast die vanaf elke telefoon onbeperkt toegankelijk is, heeft ook zijn nadelen.

Het belangrijkste probleem van de muziek in deze tijd – vanuit het perspectief van de luisteraar – is misschien wel dat het nog nooit zo simpel is geweest om zoveel goede muziek zo snel tot je beschikking te krijgen. Voor het schrijven van het boek heeft Doggett er flink van geprofiteerd, maar er gaat ook iets verloren. Een plaat vijf keer draaien om haar de kans te geven je voor zich te winnen, zó geconcentreerd luisteren dat je je langzaam laat verleiden door dingen die je in eerste instantie niet had gehoord: gebeurt het nog in een tijd dat er altijd wel een track is die beter bij je profiel past? Krijgt muziek die om de lange adem vraagt nog wel een kans?

In 1956 besteedde platenmaatschappij Columbia alle aandacht aan de easy listening van Bud Shank en brachten ze E.S.P. van Miles Davis uit omdat hij nou eenmaal dat contract had. Vijftig jaar later luisteren we nog steeds naar Miles, of dat nu via Spotify is of op een 180 gram vinyl-reissue, aangeschaft door een hippe snob met neoretroneigingen.

Langzaam maar zeker schrijft Doggett naar zijn nuchtere conclusie: de geschiedenis van de populaire muziek voor zover die gedreven is door geluidsdragers, is eindig. MP3 maakte de cd overbodig, streaming maakt nu de MP3 overbodig, en nu zitten we met onzichtbare muziek, altijd en overal af te luisteren. Vrolijk wordt Doggett niet van het beeld van jongeren die op een straathoek hun muziek uit mobieltjes laten komen, schel en vrijwel onherkenbaar vanwege het gebrek aan lage tonen – of luisterend via een koptelefoon van Beats (klinkt niet goed, maar is wel hip) die ervoor zorgt dat ze nog voor de volwassenheid met een levenslange gehoorbeschadiging opgescheept zullen zijn.

Even klinkt Doggett als de conservatieve tegenstem die hij het hele boek met zo veel gretigheid heeft weten in te zetten. Maar dan gaat het verhaal verder, terug naar de dansvloer, en hij weet een productie van Jay-Z net zo enthousiasmerend te beschrijven als ragtime uit 1919. Je krijgt zin om nieuwe muziek te horen, en benieuwd naar de plek die Peter Doggett die in zijn verhaal zou geven.