Opinie

    • Luuk van Middelaar

‘Wat gaan we nu met dit landje doen?’

Afgelopen zaterdag overleed Edmund Wellenstein, pionier van de Europese integratie. In de zomer van 2008 ging ik bij de toen 88-jarige op bezoek in zijn Haagse appartement, tussen boeken en internationale kranten. Hij vertelde over Jean Monnet en de verhouding tussen de prille Economische Gemeenschap en Londen, toen de telefoon ging. Het was Max Kohnstamm (94). Geanimeerd bespraken beide heren de oorlog die was uitgebroken tussen Georgië en Rusland, hoe president Sarkozy er een dag eerder heen was gevlogen om een staakt-het-vuren te arrangeren, wat de gevolgen waren. Ontroerend en indrukwekkend – nieuwsjunks van 90. Kohnstamm en Wellenstein ontmoetten elkaar in 1942 in Kamp Amersfoort, beiden gijzelaars van de Duitsers vanwege illegaal studentenwerk. Beiden trokken in de vroege jaren ’50 naar Luxemburg, waar de Europese Commissie van vandaag de eerste kantoren had. Ze worden dus vaak in één adem genoemd. Toch hadden ze een zeer onderscheiden stijl; dit verschil raakt ook wat Europa vandaag nodig heeft.

Kohnstamm was de Europese zendingswerker, de vredesapostel. In Kamp Amersfoort leerde hij: het leven zonder recht is een hel. Na de rampen van 1914-18 en 1939-45 was een radicaal nieuw begin nodig: recht moest de plaats innemen van machtspolitiek. De integratie was de eerste stap op weg naar de wereldvrede. Kohnstamm in zijn dagboek, najaar 1956: „Nieuwe vorm van samenleven: geen verdediging van belangen, maar gemeenschappelijk zoeken naar de goede oplossing van elk probleem”. Europa als een morele omwenteling. De onvermoeibare missionaris – hij overleed in 2010 – oogstte bewondering maar ook irritatie. (Frits Bolkestein zei ooit ‘allergisch’ voor hem te zijn.) Dat laatste overkwam Mom Wellenstein nimmer. Hij was innemend, opgewekt en gul, en had een politiekere, meer historische kijk op het menselijk bedrijf dan zijn kompaan. Over de Luxemburgse stichtingsjaren zei hij in 2007: „Als wij al ‘gelovigen’ waren, (...) dan toch gelovige ambachtslieden, bezig met een nuchter handwerk”. In zijn geval betrof het de Europese markt voor oud ijzer, oftewel schroot. Ook Wellenstein ‘geloofde’ in Europa – niet zozeer als nieuwe dageraad voor de mensheid, als utopie, maar als beste antwoord op de naoorlogse verhoudingen in de wereld, als politieke zet. Uit een interview in Trouw, begin 2012: „Ik heb een deel van mijn schoolopleiding in Batavia gedaan. Ik kende het leven van een groot koloniaal rijk, dat geen last wilde krijgen met de buren. (...) Dat leven was in één nacht, met de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940, voorgoed voorbij. Niet iedereen besefte dat. Nadat wij ons moeizaam hadden losgemaakt van Indonesië, werd de vraag: wat gaan wij nu met dit landje doen? Onze positie in de wereld was heel behaaglijk geweest. Nu zaten we opeens als een klein land op een verwoest continent. We konden niet meer leven van het verbouwen van suiker op Java, wij moesten leven van onze omgeving”.

Toen ‘Europa’ alleen nog een idee was, anderhalve man en een paardenkop in Luxemburg, moest je er in ‘geloven’; daar hoorden apostelen bij. Maar het Kohnstamm-idee van Europa als morele voorhoede verloor aan geloofwaardigheid. Ook is de Unie geen teer kasplantje meer. Wel blijft dringend waar ambachtsman Wellenstein zijn leven lang op hamerde: zorgen dat we als Nederland en als Europa greep houden op ons lot in de turbulente wereld. Dat vergt geen geloof, maar wel het besef: samen sterker dan alleen. Plus – Wellensteins grootste zorg in zijn laatste jaren – de politieke leiders die dat aan hun bevolking vertellen.

    • Luuk van Middelaar