Vader voelde al: dat gaat niet goed

NRC probeert met de hulp van lezers de weggebombardeerde winkelstraat ‘virtueel’ te herbouwen. We vorderen flink.

De verkoopsters voor de zaak op nummer 177, met rechts dochter Tonny.

Er is in elk gesprek wel een moment dat het verhaal even buiten het gebaande pad raakt. Dat een herinnering wordt aangeboord die nog scherp is, niet glad geslepen door het vele vertellen.

Dat is bijvoorbeeld het moment waarop Arthur van Soest zich herinnert dat hij als elfjarig jongetje een Benzo-fiets had, een roodgelakte, met luchtbanden. Of het moment waarop Bas Noorlander zich herinnert dat zijn vader sieraden van vluchtelingen uit Duitsland afkocht: „Narigheid”, zegt hij zachtjes, en hij is weer even de jongen van achttien die in de juwelierszaak van zijn vader staat. Of het moment waarop Theo Straatman zich laat ontvallen dat zijn strenge opa bij V&D „de houten Jezus” werd genoemd.

Het afgelopen jaar is deze krant bij vele (nazaten van) bewoners en winkeliers van de Hoogstraat anno 1940 langsgegaan. Het doel: van elk adres in de straat een verhaal kunnen vertellen over degenen die er woonde of werkte. De straat moet op nrc.nl/hoogstraat herrijzen in haar glorie van voor het bombardement van 14 mei 1940. En dat het glorie was, blijkt uit alle herinneringen.

De herinneringen zijn scherp en precies. Al zijn er natuurlijk ook wel eens vergissingen. Bas Noorlander, inmiddels 90 jaar oud, weet zeker dat de Dordtse autobusmaatschappij Edad een reisbureau had op de Hoogstraat. De eigenaren van nu weten zeker dat daar nooit een reisbureau van hen heeft gezeten en er is ook geen spoor van te vinden.

Soms zijn er ook vergissingen aan de kant van de krant, zoals die keer dat een bewoonster van de Hoogstraat vertelde dat haar vader konijnen hield op het dak, en de journalist dacht dat hij ze fokte om ze als voedsel te verkopen. De vrouw schrok zo van het misverstand dat ze meteen niets meer over haar familie in de krant wilde hebben.

Voor een deel zijn de opgetelde herinneringen een vertekening van de werkelijkheid zoals historici die maar al te vaak tegenkomen. Succesverhalen zijn vaker vastgelegd dan mislukkingen, dat blijkt ook in dit project weer. Het is gemakkelijker sporen terug te vinden van de juwelier, van de parfumerie en van de katholieke kerk die er tegenover stond, dan van de pensions en logementen waar soms elf mensen staan ingeschreven – en dan niet vader, moeder en negen kinderen, maar elf aparte bewoners, die op de drie verdiepingen van hun huis in provisorisch afgeschotte kamertjes moeten hebben gewoond. Dat zijn de mensen van wie de zogenoemde gezinskaarten in het stadsarchief oogt als een strippenkaart: ze verhuizen soms meer dan eens per jaar.

Het blijkt dus moeilijker om nazaten van Petrus Theodorus de Bakker terug te vinden, die sinds 1937 op nummer 126a woont en koopman is volgens de gezinskaart, en daarvoor kuiper en vuurstoker was, dan bijvoorbeeld het terugvinden van nazaten van Joh. Dollée met zijn modezaak waar zijn dochter Tonny als verkoopster werkt.

Theo Straatman, zoon van Tonny, kan zo het beeld van zijn grootvader Jo Dollée oproepen (niet de houten Jezus, dat was zijn andere grootvader), een zachtmoedige man, dol op de hoeden die hij verkoopt, en hoe hij ze boven een keteltje kokend water met stoom afschuiert.

Zo was het ook niet moeilijk Arthur van Soest te vinden, wiens gelijknamige vader voor de oorlog drie parfumeries tegelijk drijft: eentje op de Hoogstraat, eentje op de Kruiskade (die hij voor de oorlog alweer van de hand deed) en een fonkelnieuwe op de Blaak. „Hij heeft hard gewerkt”, zegt zoon Arthur.

Uit de mond van Arthur van Soest rolt het rijtje broers en zusters als een liedje: „Jan-Arthur-Harry-Eddy-Tonny-Emmy-Tineke-Carol-Mary.” De familie Van Soest hoort bij de grote schare katholieken in de vooroorlogse Hoogstraat. Ze wonen tegenover de Dominicuskerk, waar Arthur en zijn broertjes misdienaar zijn. De paters van de Orde der Predikheren vieren de mis dagelijks, dus Arthur staat vaak om half zeven ’s ochtends al in de kerk, de huishoudelijke hulp helpt hem aankleden en haalt snel een kam door zijn krullen.

Het gezin slaapt de nacht voor het bombardement al in een schuilkelder onder Heck’s lunchroom. Overbuurman Theo Wuisman, ook al een vroom katholiek, suisse bij processies, heeft ze in de propvolle kelder helpen komen. Als hij na het bombardement weer buiten komt, ziet Arthur van Soest de gordijnen brandend uit de ramen van hun smalle woonhuis wapperen. Zijn moeder denkt aan de persianer-pad bontjas die ze op de toonbank had gelegd voor ze naar de schuilkelder ging. Verbrand, net als Arthurs Benzo-fiets.

Het is opvallend hoe compleet de Hoogstraat is verwoest en hoeveel mensen bombardement en vuurstorm hebben overleefd. De fietsenkelder onder Heck's was niet de enige schuilplaats. Oud-marinier Leendert Tholenaar vraagt na de invasie toestemming om een gat te maken in de muur die zijn woning (nummer 298b) scheidt van de kledingzaak van Adriaan Dollée op de begane grond.

Zo kan het gezin, vader, moeder en twee zonen, schuilen in de kelder van het winkelpand. De pensiongasten ook; er wonen er in mei 1940 drie op de bovenste verdieping, vertelt zoon Koos Tholenaar.

Even voor het bombardement weet zijn vader al dat er iets te gebeuren staat. „Hoor je de muizen en de ratten op zolder piepen”, zegt hij. „Dat gaat niet goed.”