RPhO vurig bij Van Zweden

Jaap van Zweden mag dan een Amsterdammer zijn, toch was er in de Rotterdamse Doelen duidelijk een gevoel van trots waarneembaar. Voor het eerst sinds het nieuws dat ‘onze Jaap’ chef-dirigent wordt bij het grote New York Philharmonic zou hij weer voor een Nederlands orkest staan, het nieuws had tot een run op kaartjes geleid. De grijns waarmee Van Zweden donderdagavond het podium van de stijf uitverkochte zaal betrad, was er een als van een jarig jongetje dat een tafel vol cadeaus verwacht.

Het is oogsttijd, weet Van Zweden, die bij het Rotterdams Philharmonisch van plan leek andermaal te bewijzen dat de benoeming in New York niet voor niets is. Het begon nog wat stroef, met de 3 preludes van Tristan Keuris. Beter klonken de Rococo-variaties van Tsjaikovski, waarin Van Zweden alle ruimte gaf aan vertrekkend solocellist Floris Mijnders. Hij zal worden gemist: zijn vertolking was fantasievol, onbevangen en vol variatie.

Maar het hoogtepunt was Tsjaikovski’s Manfred-symfonie. De componist beschouwde het ooit als zijn beste orkestwerk, waar hij later op terugkwam. Had hij niet gewoon gelijk, denk je als je de Rotterdammers hoort. Het heeft dezelfde lyriek en stemmingswisselingen als zijn andere symfonieën, maar is door de programmatische aard minder voorspelbaar en is wonderlijk goed georkestreerd. De uitvoering was buitengewoon intens, vurig en toch zo verzorgd, spatgelijk en uitgewerkt tot in de kleinste details. Dat doet ’ie toch goed, onze Jaap.

    • Merlijn Kerkhof