Proost, op alweer een ‘bella giornata’

In een nieuwe, ferme bundel brieven, vooral gericht aan zijn ex-vriendin, is de dichter, classicus en schrijver Pfeijffer directer dan anders en ook nogal informatief. Met name zijn opgeruimdheid is benijdenswaardig.

Tekening Paul van der Steen

Toen enkele jaren terug Klinkende ikken verscheen, Atte Jongstra’s toevoeging aan de Privé-domeinreeks, was deze recensent er niet geheel gerust op. Immers, zo’n auteur als Jongstra, ‘met een voorliefde voor dubbele bodems, pastiches en literaire valkuilen’, ging hem geheid het bos insturen met die zogenaamde autobio-claim. Een vergelijkbaar wantrouwen overvalt me nu Ilja Leonard Pfeijffer ook aan het Privédomeinen is geslagen, want ook hij maakte er in het verleden een sport van om te spelen met de vraag wat echt en wat niet echt was. Laatste wapenfeit op dat vlak is natuurlijk La Superba, Pfeijffers met de Librisprijs 2014 bekroonde roman over Genua, waarin een schrijver rondliep die niet alleen qua naam grote gelijkenissen met zijn schepper vertoonde.

In Brieven uit Genua, dat belooft de ‘natuurlijke tegenhanger’ van La Superba te zijn, wordt Pfeijffers poëtica nog enkele malen uit de doeken gedaan. Het helderst gebeurt dit misschien wel in één van zijn ‘Brieven aan mijzelf op jongere leeftijd’, waarin hij een opgroeiende Pfeijffer (voor wat het waard is bij een kernontkenner als Pfeijffer) instrueert over het wenselijke literaire programma: ‘Jouw taak zal zijn om je diepgaand voor deze ontwikkelingen te interesseren. De steeds complexere verhouding tussen feit en fictie, werkelijkheid en fantasie, realiteit en beeldvorming en de daardoor steeds problematischere notie van authenticiteit zijn de grote thema’s van jouw tijd. Dat zullen jouw thema’s moeten zijn. Die moet je onderzoeken. En onderzoek ze niet in de laatste plaats bij jezelf.’ Het geestige is dat het in deze vorm net lijkt alsof het besluit van de jonge Pfeijffer om over authenticiteit te schrijven niet authentiek was: allemaal ingefluisterd door zijn verstandigere, oudere ik.

Hoewel je in deze ferme brievenbundel zeker delen kunt aanwijzen die over bovenstaande thematiek gaan, en ook het slotakkoord er helemaal in gedrenkt is, meen ik toch dat het niet de essentie ervan is. Pfeijffer speelt er mee en stipt het af en toe aan, maar hij toont zich verder een direct schrijver, directer dan we van hem gewend zijn. Dat is alleen al vanuit de parallellie met La Superba enigszins te verklaren: ook daar waren flink wat valluiken ingebouwd, maar die roman had met bijvoorbeeld het behandelen van het migrantenvraagstuk ook een ernstige kant die zich simpelweg niet leende voor al te veel frivoliteiten en dubbelzinnigheden.

De meeste brieven zijn gericht aan Gelya Bogatishcheva, de ex-vriendin met wie hij in 2008 naar Genua toog en die inmiddels in Berlijn woont, en ze zijn soms bijna ansichtkaartachtig van toon. De epistels zouden weliswaar nooit op een ansichtkaart passen, maar de inhoud is desalniettemin op de eerste plaats informatief. Dusdanig informatief dat het soms lijkt alsof Bogatishcheva nooit in Genua woonde: hier verhaalt Pfeijffer over de twee voetbalclubs die de stad rijk is, daar over het labyrintische stratenstelsel. Dat zal een vrouw die jaren in die stad woonde toch allemaal al lang en breed weten? Gelya moet als correspondente dus niet te ernstig worden genomen; ze is hier een excuus voor Pfeijffer om over zichzelf en Genua te kunnen vertellen.

Bijkomend gevolg is dat er in de brieven geen sprake is van elektriciteit tussen Pfeijffer en de mensen die hij aanschrijft. Dat komt de leesdrift niet ten goede, maar dat gebrek aan conflict pást wel helemaal bij hoe Pfeijffer uit dit boek naar voren komt, namelijk als een goedmoedige lobbes die zonder al te veel tegenslagen bereikt heeft wat hij heeft willen bereiken. Jong afstuderen in de klassieke talen: done. Niet lang daarna promoveren: done. Daarna naam maken als prozaschrijver en dichter: ook al geen probleem. Niet gek voor iemand die zichzelf op zeker moment duidt als ‘de luiste mens op aarde’.

Zuipen als een tempelier

Pfeijffer leefde wild, vooral als opkomend, schuimend dichter, maar hij lijkt zich altijd als een zenmeester aan de ellendige gevolgen van die levensstijl te hebben onttrokken. Roken als een Turk, zuipen als een tempelier, vertrekkende vrouwen: het lijkt een recept voor een enkeltje goot, maar Pfeijffer liet zich nimmer kisten of kennen, alleen de Belastingdienst brengt hem uit balans.

Zijn houding zal deels te verklaren zijn vanuit de omarming van aikido, een Japanse zelfverdedigingssport met filosofische bodem. Hij bewandelt de aarde niet met een bezwaard hart – of het komt in deze brieven niet naar voren – en hij is bovendien gek op mensen. Hij hoeft zijn met een cocktail geladen arm in Genua maar te strekken of er proost al weer iemand met hem op opnieuw een bella giornata; je zou jaloers worden van zoveel opgeruimdheid.

De reputatie van Pfeijffer als ‘polemist’ was lange tijd groot. Zo maakte hij in 2003 de kachel aan met een hele serie dichters in Het geheim van het vermoorde geneuzel. Pfeijffer is wat dat aangaat een stokebrand in ruste, want hoewel hij nog aardig wat literaire en buiten-literaire wederwaardigheden (‘De koning had een superieure gesprekstechniek.’) te berde brengt is de toon verder gemoedelijk. Om niet te zeggen op het vlakke af.

Als de meters al bij Pfeijffer uitslaan dan bedrijft hij cultuurkritiek. Enkele van zijn ergernissen betreffen de moderne, door communicatiemiddelen en beslommeringen geconstipeerde mens.

Pfeijffer herinnert ons er nog maar eens aan dat de bakermat van ons continent in Afrika ligt. Dat is waar en weldenkend in het licht van het verhitte vluchtelingendebat, maar ook weer geen mededeling waar je van achterover valt. Brieven uit Genua is imposant in zijn omvang, en absoluut onderhoudend, maar zelden imposant in analyse, temperament, dwarsheid of humor, kortom alles wat een lezershart echt sneller doet kloppen.