Duikbootvluchtelingen

Tosca Niterink en haar dans- en wandelpartner Anita Janssen wandelen in Patagonië. Lees elke week hier hun reisverslag.

Duitse oase in Chili: jongeren in traditionele timmerman-outfit, Villarrica am See. Foto Anita Janssen

Chili is 4.275 kilometer lang (met het Antarctische deel mee, 8.000). Dat is lang! Dat is heel erg lang! Dat is veels te lang! Het reizen gaat moeizaam, via de Carretera Austral (de mooiste weg ter wereld zeggen ze).

Dit is een grotendeels onverharde slingerweg door een woest landschap met hoge steile rotswanden, sneeuwpuntbergen, rokende vulkanen en ongerepte wildernis met enorme planten, waar zo een dinosaurus uit tevoorschijn kan komen stampen.

En er is veel water, en daar moet je met allerlei boten steeds overheen. Als je zoals wij van de week de hele dag hebt zitten hobbelen in een vrachtwagen mag je blij zijn dat je 60 kilometer hebt afgelegd. We zijn in al die weken nog maar een paar honderd kilometer omlaag gekropen, een piepklein streepje op de kaart.

We hebben besloten om te keren en dezelfde weg weer terug te gaan. Dat kan ook niet anders want er is maar één weg door de wildernis, de rest is onbegaanbaar. Bovendien werkt het weer niet mee, koude en regen. Dus weer langs die slingerweg en met de bootjes door binnenzeeën met eindeloze kweekvijver velden vol antibiotica zalm naar Puerto Montt en vandaar uit met de bus terug naar provincie Araucanía. We zitten in Villarrica en kijken hier naar de actiefste vulkaan van Chili. Hij is vorig jaar voor het laatst uitgebarsten. Chilenen zelf zijn niet zo actief, ze zijn heel erg (het woord zegt het al) chill in Chili. Voor elf uur ’s morgens is er geen winkel open en zijn alle huizen nog potdicht. Om twaalf uur gaan de restaurants open tot vier uur en dan is het genoeg geweest. Basta! Dus wij eten ook tussen de middag warm, een goede gewoonte maar je moet wel geduld hebben. Alles duurt lang. Als je bijvoorbeeld een kop koffie wil, wat steevast Nescafé is want lekker makkelijk, moet je eerst minstens een kwartier wachten tot er iemand naar je tafeltje komt. Nou en, zeg je misschien, die mensen hebben het vast druk. Dat is eigenlijk ook zo, want er is in elke tent, hoe klein ook, minstens 20 man personeel. Eén moeke in de keuken, vijf man achter de bar, twee bij de kassa en de rest loopt in het meestal piepkleine tentje door elkaar heen te zoeken naar de klanten die daar ergens tussen moeten zitten. Als je een bestelling gedaan hebt, krijg je na een kwartier een suikerpot voor je neus, terwijl je gezegd hebt, „cafe solo sin azúcar” (koffie zwart, zonder suiker). Na nog een kwartier komt iemand anders een fles stevia brengen, (deze zoetstof komt hier vandaan en is een nationale volkshit). Dan zeg je maar niks meer en gaat door met servetjes stuk scheuren tot na weer een kwartier de pot Nescafé voor je neus wordt gezet. Na anderhalf uur komt moeke zelf uit de keuken met de dampende warmwaterkoker en ze plukt in de loop nog een schortzak vol nieuwe servetjes voor je van de bar. Enfin, je kent het wel.

„Jullie zitten er keurig netjes bij”, zegt mijn schoonmoeder goedkeurend als Annie met haar zit te Facetimen in de Konditorei met Wifi waar alle Duitse importsnobs aan de Sachertorte zitten. Jawohl, we zitten in Villarrica am See, een Duitse oase met blinkende pronkchalets in Chileens Berneroberland met wienerschnitzels en berlinerbollen an dem Thunersee. „En wat een nette mensen allemaal”, klinkt mijn schoonmoeder opgelucht. „Dit zijn allemaal duikbootvluchtelingen uit de Tweede Wereldoorlog!”, roep ik in de FaceTime-camera. „Ze overdrijft”, lispelt Annie, „er zijn ook heel veel nette Duitsers al in de 19de eeuw hier naartoe gekomen.” „Ook met de duikboot?”, vraagt Annies moeder, „ik hoor duikbootgeluiden.”

„Nee dat is de espressomachine.”

„Wat zeg je?” „Waterscooters.”