Hoe het stuurse cynisme van oorlogskok Tortot smelt

Een veldkok weet te overleven in Benny Lindelaufs nieuwe jeugdroman. Oorlog is weliswaar iets voor dwazen, maar als je erin verzeild raakt, kun je beter de slimste zijn en de meeste verbeeldingskracht hebben.

Lindelaufs boek met de illustraties van Ludwig Volbeda

Hij houdt het hoofd koel en het hart kil en zo kletst Tortot zich onder de guillotine uit. Wanneer Tortot, veldkok in ‘de tijd van de Grote Oorlogen’, in de gaten krijgt dat zijn leger op een nederlaag afstevent, verlaat hij op een nacht het kampement – om over te lopen naar de vijand. ‘Klopte zijn hart als een razende? Stond het zweet hem op het voorhoofd? Welnee’, schrijft Benny Lindelauf, aan het begin van Hoe Tortot zijn vissenhart verloor. ‘Zelfs toen hij op ze toe liep met zijn witte schort en koksmuts die zijn komst al honderd meter van tevoren aankondigden, zélfs toen hij hardhandig werd opgepakt door het vijandelijke leger en met zijn hoofd op het schavot terechtkwam, klopte zijn hart kalm als dat van een slapende rog.’

Want dat heeft hij: het hart van een vis, ‘ijskoud en berekenend’. Dus even later staat hij iets te bereiden voor de soldaten, uit niets. Van ‘een slappe wortel en het merg van een gevilde kat’ trekt hij een soep die doet denken ‘aan Bretonse vissoep, vol en romig van smaak; een soep die zo langzaam verteerde dat je er drie dagen later nog aromatische boeren van liet’.

Je kunt wel blijven citeren, want de bloemrijke citaten zijn representatief voor de mooie-zindichtheid en de bijzondere, oorspronkelijke metaforen in de roman én ze zijn ongekend in de hedendaagse jeugdliteratuur. Benny Lindelauf (1974) toont zich een weergaloos stilist – en, opnieuw, een van de beste jeugdschrijvers die we hebben. Hij ontpopt zich met Hoe Tortot zijn vissenhart verloor bovendien als volleerd sprookjesverteller, die ook nog iets totaal eigens en nieuws met het genre doet. Het boek herinnert beurtelings aan de fijne kolder van zijn kinderboek Superhelp! (2011), maar ook aan een Russisch volksverhaal, een Griekse mythe, een satire en aan de beste fantasieverhalen uit de jeugdliteratuur – op een niveau dat Paul Biegel, Tonke Dragt en Roald Dahl niet altijd haalden.

En dan is er ook nog op ongekende wijze aandacht besteed aan de boekverzorging: debuterend illustrator Ludwig Volbeda (1990) mocht met zijn ragfijne lijnen nu eens de marges van de bladzijden vullen, dan weer Lindelaufs verzinsels verbeelden en de vertelling soms helemaal overnemen. Zijn unieke lijnvoering getuigt van enorme controle en oog voor detail; wát hij verbeeldt is daarentegen vaak puur absurdisme – een prikkelende paradox die ook in Lindelaufs tekst zit.

Die verschilt ogenschijnlijk veel van zijn vorige jeugdroman, het Limburgse oorlogsepos De hemel van Heivisj (2010), over gewone mensen die in de oorlog verzeild raken – al vult hij nu net dat onderwerp weer op geheel nieuwe wijze in. Oorlog, maakt hij opnieuw duidelijk, is iets voor dwazen, maar als je erin verzeild raakt, kun je maar beter de slimste en beste oorlogsvoerder zijn.

Fantasie-Europa

Dat ondervindt Tortot. Lindelauf plaatste hem in een cynisch fantasie-Europa waar de dwazen het lot bepalen. De gewone, onmachtige mensen zuchten onder het juk van de oorlogszuchtige ‘Keizerlijke Keizers’. Beslissingen over soldatenlevens worden genomen uit naijver, ijdelheid en jaloezie. Dat voert Lindelauf tot in het absurde door, met oorlogen die Augurkentwisten heten en keizers die hun pokdalige gezichten insmeren met augurkensap.

Zo staat er meer kolder tegenover het harde cynisme – en zo ontwikkel je dus een vissenhart. Maar de titel liegt niet. De verandering komt, door de jonge soldaat ‘Halve George’ (zijn beide benen werden kanonnenvoer). De jongen houdt zich schuil in een houten ton in het veldkeukentje van Tortot: aanvankelijk zit die niet op de verstekeling te wachten, maar er smelt iets van zijn stuursheid als ze hun persoonlijke oorlogsgeschiedenis blijken te delen. Ze waren beiden de jongste zoon van een moeder die al haar andere zonen aan de oorlog verloor, aan de ‘keizerlijke tartaarmachine’.

Het grote verhaal van de idiote oorlog en de persoonlijke verhalen van Tortot en Halve George lopen soepel door elkaar heen – en dan zijn er nog alle verhalen over bijfiguren, alle sterke anekdotes, herinneringen. Lindelauf vertelt die terzijdes met zichtbare graagte en knapper nog: al die uitweidingen staan ook heus in dienst van het grote verhaal.

Ze bevestigen het besef waarvan het boek doordrongen is: dat het vertellen van verhalen, het aanboren van de verbeelding, het laten wegvoeren in woorden en zinnen en in dromen en herinneringen, redding kan bieden. Dat je van niets iets kunt maken, ook als het oorlog is.

Dát ondervindt Tortot: niet zijn vissenhart, maar zijn verbeeldingskunst houdt hem in leven. Wie daardoor niet ontroerd raakt, moet wel een hart hebben dat zo koud is als dat van een vis.