De vensters op Dublin zijn gelapt

Uit de verhalen in Dubliners ontsproot het oeuvre van Joyce. Vertalersduo Bindervoet en Henkes hanteert in Dublinezen weer een speelse, alles-behalve omzichtige omgang met het origineel.

Foto Alain Le Garsmeur/Getty Images

Dat is even wennen: Dubliners, de verhalenbundel waarmee James Joyce in 1914 debuteerde, heet in de nieuwe Nederlandse vertaling Dublinezen. De vorige vertaler, Rein Bloem, hield het in 1968 nog gewoon op Dubliners. Ook de herziene versie van die vertaling uit 2004 droeg nog die titel. Die versie was herzien met hulp van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes; nu hetzelfde duo de bundel helemaal opnieuw heeft vertaald, zijn die ‘Dubliners’ opeens ‘Dublinezen’ geworden.

Vier jaar geleden bracht hetzelfde duo zijn vertaling van Joyce’ Ulysses uit onder de titel Ulixes, maar dit gaat verder. ‘Dublinezen’! Ik kreeg er joviale en volksmuzikale associaties bij, waarschijnlijk door verwante termen als ‘Hagenezen’ en (vooral) ‘Jordanezen’. Pas nadat ik een paar keer bezwerend het rijtje ‘Chinezen, Libanezen, Milanezen, Canadezen’ had gemompeld, verdwenen de ongewenste associaties en was ‘Dublinezen’ een neutraal woord geworden.

Maar ik had te snel gehandeld. In de haast om ongewenste associaties af te weren, had ik niet nagedacht over de vraag waarom de vertalers voor ‘Dublinezen’ hadden gekozen. Ze volgden hierin Joyce, die met de term ‘Dubliners’ méér wilde aanduiden dan alleen een neutrale benaming van bewoners van een zekere stad; hij wilde een geestestoestand, een sfeer uitdrukken. Mijn associatie met Jordanezen was dus nog niet eens zo gek – niet vanwege de joviale, muzikale connotaties, maar wel vanwege een benaming die een locatie overstijgt en voor een bepaalde mentaliteit staat.

Onmacht, stagnatie, stilstand – dat was de sfeer die Joyce waarnam in het Dublin waarin hij was opgegroeid. In een brief uit 1904 omschreef hij zijn geboorteplaats, toen nog onderdeel van het Verenigd Koninkrijk, als een ‘verlamming’. Hij was toen begin twintig en net aan de verhalen begonnen die later in Dubliners zouden worden verzameld. Om de bundel te voltooien moest hij weg uit de verstikkende omhelzing van zijn geboortestad: de laatste verhalen schreef hij in Italië. Toch zou Dublin hem nooit loslaten. In vrijwel alles wat hij nog zou schrijven speelde de stad een grote rol.

Voorspel

Dubliners wordt soms gezien als een voorafje, een voorspel, maar in feite is het de bron van de rest van het oeuvre van Joyce. Zo komt Ulysses voort uit een ontwerp voor een verhaal dat eigenlijk voor Dublinezen was bedoeld. Ook is de bundel geen losse verzameling verhalen, maar een zorgvuldige compositie, waarin Joyce de stad heeft willen weergeven als een organisme met verschillende levensfasen.

De eerste verhalen hebben betrekking op de kindertijd, daarna volgen adolescentie en volwassenheid. Het slotakkoord is ‘De doden’, veruit het langste verhaal uit de bundel, over het jaarlijkse bal van de oude gezusters Morgan, en hun tragische neef Gabriel die zijn meerdere moet erkennen in de lang geleden overleden jeugdliefde van zijn vrouw . ‘De doden’ wordt vaak genoemd als een van de beste verhalen ooit geschreven, en terecht; het enige nadeel ervan is dat het de andere verhalen uit de bundel overschaduwt.

Die kortere verhalen zijn over het algemeen plotloos. Maar schetsen zijn het niet, daarvoor gaan ze te diep, dragen de beschreven gebeurtenissen te veel betekenis met zich mee. Overal schemert onvervuldheid en onmacht, in feite slaagt niemand erin te ontsnappen aan de verlamming van Dublin. Joyce beschrijft het in sober, maar zorgvuldig proza, met een goed oor voor spreektaal. Hij geeft weinig details, maar benadrukt de val van licht – dat vaak afkomstig is van brandende straatlantarens; de impressie achteraf is van een stad in eeuwigdurende schemering.

Joyce neemt zijn stadgenoten de maat, op het satirische af. De bundel staat bol van toespelingen op Dublinse aangelegenheden van meer dan honderd jaar geleden, maar dat is geen probleem, zelfs zonder annotaties is het allemaal goed te volgen. De kleinheid en onmacht van de personages is nog steeds herkenbaar, want uiteindelijk niet tijd- of plaatsgebonden. Wat dat betreft gaat de bundel inderdaad niet alleen over inwoners van Dublin.

Ondanks de satire en ironie is Joyce een uiterst humaan auteur. Hij beschrijft zijn personages in al hun kleinheid, maar kijkt niet van boven op ze neer. Hij is de scherpe waarnemer die tussen hen in staat. Hij becommentarieert ze niet, hij laat ze zelf aan het woord. Zo laat hij ze hun eigen graf graven, en bij een schrijver is dat een teken van menselijkheid. De echte onmens is de schrijver die zelf de schop ter hand neemt.

Ribstuk

Over de nieuwe vertaling valt veel te zeggen, en dat doen de vertalers gelukkig zelf ook, in een enthousiasmerend nawoord waarin naast allerlei vertaalkwesties ook Lucky Luke en een recept voor het in ‘De doden’ genuttigde ribstuk aan bod komen. Over een aantal keuzes valt zeker te twisten. Om één voorbeeld te noemen: in het verhaal ‘Klimopdag in de bestuurskamer’ wordt het Ierse tussenwerpsel ‘musha’ (‘nou!’) vertaald als ‘amaai’, en hoewel je begrijpt hoe de vertalers ertoe komen, klinkt zo’n Vlaamse term toch vreemd.

Maar dergelijke zaken zijn details. Henkes en Bindervoet hebben een uitstekende, soepele vertaling afgeleverd. Net als bij Ulixes blinken ze uit in dialogen en poëzieregels. Vertalers van oudere teksten hebben soms de neiging conservatieve keuzes te maken, zeker als het gaat om spreektaal. Henkes en Bindervoet doen daar niet aan mee, hun eerbied voor de tekst vertaalt zich juist in een speelse, enthousiaste en allesbehalve omzichtige omgang met het origineel. Soms is dat even schrikken – een schrik die vergelijkbaar is met de ontsteltenis van de man die dacht dat de wereld uit pasteltinten bestond tot iemand langskwam en zijn ramen waste. In deze nieuwe vertaling kunnen de opgefriste verhalen uit Dublinezen weer jaren mee.

Henkes en Bindervoet hebben nu alle belangrijke werken van Joyce vertaald. Dublinezen, Zelfportret van de kunstenaar als jonge man, Ulixes, Finnegans Wake – we kunnen ze nu allemaal in goede nieuwe vertalingen lezen. Dat is wel iets om even bij stil te staan. In ‘De doden’ vertelt operaliefhebber Browne ‘hoe de jongens van het schellinkje in hun enthousiasme soms de paarden van de koets van een grote diva uitspanden en haar zelf door de straten naar haar hotel trokken’. Laten we afspreken dat we hetzelfde doen wanneer we ooit Henkes en Bindervoet in een paardenkoets langs zien komen.