De perfecte imperfectie

De ontdekker van de rock ‘n’ roll was een idealist, die zwarte muzikanten de kans gaf muziek op te nemen, en arme, witte artiesten als Elvis Presley zichzelf liet ontdekken.

Foto GAB Archive// Getty Images

Lange tijd vonden pophistorici unaniem dat de rock ‘n’ roll begon met ‘That’s Alright’, het debuut van Elvis Presley uit 1954. Maar een jaar of dertig geleden begonnen sommigen ook ‘Rocket 88’ van Jackie Brenston & His Delta Cats uit 1951 te noemen als het startsschot. Hoewel dit nummer een cover is van ‘Cadillac Boogie’ van Jimmy Liggins uit 1947, is het daarbij gebleven. Tot nu toe is het origineel niet opgewaardeerd tot ‘echt allereerste rock ‘n’ rollnummer.’

Ook de Amerikaanse rock- en soulhistoricus Peter Guralnick beweert in Sam Phillips. The man who invented rock ‘n’ roll dat met ‘Rocket 88’ de rock ‘n’ roll werd geboren. Zeker, Jackie Brenston & His Delta Cats, met Ike Turner als leider, bleven dicht bij het origineel, geeft hij toe. Toch klonk ‘Rocket 88’ heel anders. Dat kwam door ‘het mysterie van het geluid, de frisheid van een idee dat voor het eerst in de wereld kwam’, schrijft Guralnick, die eerder onder meer biografieën van Elvis Presley en Sam Cooke schreef.

In een van de mooie verhalen waarvan het in Sam Phillips wemelt, vertelt Guralnick hoe het ‘frisse’ geluid van ‘Rocket 88’ tot stand kwam. Ike Turner en zijn band kwamen in de studio van Sam Phillips (1923-2003) met een kapotte gitaarversterker aanzetten. Toen de gitarist zijn gitaar inplugde, kwam er een vreselijke herrie uit. Maar voor Phillips was dit geen probleem. De vervormde fuzz-klanken van de gitaar gaven het nummer juist een nooit eerder gehoord geluid, vond hij. ‘Het was een heftige aanval op een ritmische muur’, schrijft Guralnick. ‘Het was magie, alchemie, het was moderniteit’.

Guralnick beschrijft Phillips als een idealist die tegen alle adviezen in zwarte muzikanten in staat stelde muziek op te nemen en arme, witte artiesten als Elvis Presley ‘zichzelf liet ontdekken’. Vooral in zijn inleiding gebruikt hij wel erg grote woorden voor het werk van Phillips, die hij voor het onderzoek voor zijn Presley-biografie vele malen sprak en met wie hij bevriend raakte. ‘Een mythische reis’, noemt hij Phillips’ leven, waarin ‘narratieve actie wordt gecombineerd met revolutionaire retoriek, Delphische verklaringen en de bevrediging, zoals die van elke Oud-testamentische god, om te kunnen terugkijken op het resultaat en het als “goed” te kunnen beoordelen’. Ook in de laatste twee hoofdstukken, waarin hij veel te lang en wijdlopig het niet bijster interessante leven van Phillips na de neergang van de rock ‘n’ roll in 1960 beschrijft, gaat hij zich te buiten aan bombast. Tussendoor vertelt hij, vaak aan de hand van ooggetuigenverslagen, hoe Phillips de rock ‘n’ roll ontdekte, zoals de uitvinder het zelf liever omschreef.

Al in zijn jeugd werd boerenzoon Phillips getroffen door het gezang van de zwarte landarbeiders op de katoenvelden. Zondags ging hij vaak naar de zwarte kerk in zijn dorp Florence, niet ver van Memphis, om te luisteren naar het gospelgezang. Na de middelbare school werd hij, na allerlei losse baantjes, uiteindelijk diskjockey bij een radiostation in Memphis. Hier draaide hij uitsluitend witte muziek, maar zwarte muziek bleef zijn grote liefde. Om die op te nemen opende hij in 1950 de Memphis Recording Service.

Simpelen van geest

Plannen voor een eigen platenlabel had Phillips eerst niet. Het vastleggen van de muziek van ‘de armen en simpelen van geest’ was hem genoeg. Maar door slechte ervaringen met onder anderen de gebroeders Chess in Chicago, die hem weinig en niet op tijd betaalden voor opnamen van bluesmuzikanten als Howlin’ Wolf, besloot hij in 1952 toch zijn eigen label, Sun Records, te beginnen.

Het grote geld viel niet te verdienen met de zwarte blues en rhythm ‘n’ blues, zo was hij inmiddels te weten gekomen. ‘Als ik een witte man kon vinden die de Negro sound en de Negro feel heeft, dan zou ik een miljard dollar verdienen’ zei hij eens tegen zijn compagnon Marion MacInnes.

Die vond hij uiteindelijk in Elvis. Toen Phillips voor een opname van ‘Without You’ een bijzondere zanger zocht, wees MacInnes hem op een 19-jarige jongen die een paar keer in de Sun-studio een privéopname had laten maken. Na een auditie mocht Elvis ‘Without You’ zingen. Toen de opname, waarover Phillips overigens niet tevreden was, op zijn einde liep, begon Elvis voor de lol ‘That’s Alright’ van Arthur Cudrup te zingen. De muzikanten, onder wie gitarist Scotty Moore, vielen in. ‘Wat doen jullie nou?’ vroeg Phillips. ‘Weten we niet’, antwoordde Moore. Maar Phillips wist het wel: dit was wat hij zocht. ‘Terug op jullie plek’, beval hij. ‘Speel het opnieuw.’

‘That’s Alright’ werd de eerste hit van Elvis, die binnen een jaar een ster werd. Na Elvis meldden vele arme, blanke jongens zich bij de Phillips’ studio. Van hen behaalden ook Carl Perkins, Roy Orbison en Jerry Lee Lewis binnen korte tijd grote hits. Zo werd Sun in de tweede helft van de jaren vijftig het epicentrum van de rock ‘n’ roll.

Over Phillips is wel eens gezegd dat niet hij de rock ‘n’ rollers ontdekte, maar zij hem. Maar Guralnick maakt duidelijk dat het toch echt Phillips was die de rock ‘n’ roll uitvond. Met de simpelheid en vooral de ‘perfecte imperfectie’ van ‘Rocket 88’ als uitgangspunt, schaafde hij de muziek van alle Sun-artiesten bij. Zo liet hij in de muziek van Johnny Cash de in country gebruikelijke steel guitar achterwege. Ook liet hij hem tegen zijn zin sneller spelen. Dit leverde wel het probleem op dat Cash’ begeleiders, beperkte muzikanten als ze waren, dit niet konden. Vooral de gitarist kon het niet bijbenen. Maar toen Cash voorstelde om die dan maar te vervangen, wees Phillips dit af. Juist de krukkige begeleiding maakte nummers als ‘I Walk the Line’ bijzonder. En het mysterie van het geluid – dat was de essentie van rock ‘n’ roll, zo wist Phillips zeker.

    • Bernard Hulsman