De duistere draaikolk die Londen is

Londen draaide altijd op migranten en hun goedkope arbeid. Recente golven nieuwkomers hebben het karakter van de stad onherkenbaar veranderd.

Foto Hollandse Hoogte

Er is een stad waar een arm man rijk kan worden, een boer een professor, waar zo veel werk en geld is, dat je een auto kunt bezitten. Waar je kunt uitslapen en meisjes zoenen. Dit is de Londense droom van Shafiullah, een jonge Afghaan.

The Fiddler is een Roemeen. Zijn oogst is mislukt, zijn kinderen hebben honger. Ook hij droomt van Londen en hoort verhalen over de rijke Arabieren die er rondlopen en die je geld toewerpen als je op straat viool voor ze speelt.

Shafiulla’s familie legt geld bijeen voor de smokkelaars. Hij bereikt Londen als verstekeling in een vrachtauto en werkt nu in een slagerij. The Fiddler sluit een lening bij de Roma-woekeraars. Hij verdient te weinig om zijn schuld te kunnen voldoen. Van iedereen die geld in zijn kist werpt, geven de Arabieren het minst. Hij slaapt met andere Roemenen in een voetgangerstunnel onder Hyde Park Corner.

De ‘Londense droom’ is van alle tijden. Vlamingen en Lombarden in de middeleeuwen, later Hugenoten, joden, Chinezen, en zwarte en bruine bewoners uit het afkalvende Empire, ze zochten er toevlucht of fortuin. Sommigen lukte het. En Londen heeft altijd goedkope arbeid nodig gehad. Recente immigratie heeft de stad totaal veranderd. ‘Ik herken Londen niet meer’, schrijft Ben Judah. Na als journalist te hebben gewoond in het Midden-Oosten en Oost-Europa – zijn eerste boek, Fragile Empire, ging over Poetins Rusland – kijkt Judah (1988) met nieuwe ogen naar zijn geboortestad.

Een eeuw geleden was een op de 25 inwoners in het buitenland geboren. Nu veertig procent. Het aantal blanke Britten is met een derde gedaald. Er wonen 600.000 illegalen, een op twintig. ‘Ik heb geen idee wie al die Londenaren zijn’, aldus Judah. ‘Ik vertrouw geen statistieken, ik moet het zelf zien.’

Stofzuigen

This is Londen is het weergaloze verslag van die onderneming. Judah dompelt zich onder in de stad die achter de ansichtkaarten ligt verborgen. Aan het einde van de metrolijnen, waar in voormalige Engelse working class-voorsteden geen blank gezicht meer is te zien, behalve tippelende meisjes uit Moldavië. In nachtbus 21, die de Ghanezen en Nigerianen naar de City brengt om kantoren te stofzuigen. In de armste ziekenhuizen, waar half-legale Afrikanen de laatste blanke bejaarden verschonen. In de flatblokken in West-Londen waar Caraïbische coke-dealers koning zijn en de stad die hongert naar ‘white’ bedienen. Op de industrieterreinen waar witte busjes dagelijks bouwvakkers oppikken en in de pensions achter de fly-overs van de rondweg waar ze hun roes uitslapen. En in rijk Mayfair, waar Filippijnse dienstmeisjes zinnen op een kans hun slavenbestaan bij een Arabisch gezin te ontvluchten.

Judah laat Shafiullah de Afghaan zijn verhaal vertellen. Hij brengt nachten lang door met The Fiddler in zijn naar urine stinkende tunnel, bang voor een beroving door andere straatmensen. Hij ontmoet Rouletteman, Kebab Man, de Blonde, Lucifer, de Professor: anonieme archetypen van het Londen-dat-niemand-kent.

Van sommige hoofdstukken gaan je nekharen overeind staan. Zoals zijn expeditie tussen de prostituees van Ilford, die de hele stad zien langskomen. Straten waar de ‘Sharia patrouille’, die jonge moslims er organiseerden, geen indruk maakt op de Pakistanen en Roemenen die er de zaken hebben verdeeld.

Hier bloedde in 2014 Mariana Popa (24) dood voor de Chicken & Pizza 4U, nadat Farooq Sha (21) haar in de borst had gestoken. Een prostituee, zwanger van haar tweede kind, en Farooq maakte haar tevergeefs het hof. Judah gaat naar het proces en wint het vertrouwen van Mariana’s collega’s. De vrouw die haar zag sterven, zag haar daarna nog dagelijks naast zich opduiken. ‘I can’t help you, sweetie’, is het laatste wat ze tegen Mariana zegt.

Er staan een paar van dit soort reportages in dit boek die elk voor een journalistieke prijs in aanmerking komen.

Er is veel dood. Net als vroeger, toen immigranten het hoge aantal sterfgevallen door de pest moesten compenseren. Hajji wast lijken in de moskee: oude mannen die rustig zijn gestorven omdat het hun tijd was, jonge mannen die door een misdaad of kanker stierven met verkrampte lichamen (‘Ze hebben nog te veel vragen’), en zelfmoordenaars die voor de metro sprongen. Elke keer als zo’n zak open gaat op zijn wastafel, valt hij flauw. Maar hij zou het niet willen missen, vertelt hij. Hajji is de laatste die met deze doden spreekt, en ze geruststelt, zegt hij.

Er valt ook wel iets te lachen in dit boek, zij het grimmig. Over de Polen, bijvoorbeeld, die zich wild ergeren aan de luie Engelsen – ‘die denken dat ze zeven bakstenen per uur kunnen leggen’ – en die zelf weer door nog goedkopere Bulgaren uit de markt worden geduwd. Er zijn prachtige doorkijkjes, zoals de ziekenverzorger die van een stervende Jamaicaan hoort dat hij ooit een medaille uit handen van de ‘Queen of England’ heeft gekregen. ‘Ik dacht: als in dit land die oude zwarte man de koningin kan ontmoeten, dan kan ik het hier ook maken.’

Softwarejongens

Soms is er wel veel monologue intérieur en snak je naar een analytisch terzijde. Het grootste bezwaar is een ander. Het Londen van de migranten is niet alleen de donkere draaikolk die Judah zag, maar ook een vitale stad: jonge mannen en vrouwen uit andere landen die er bedrijfjes beginnen; obers en koks; filmmakers en musici; studenten uit Azië, softwarejongens die het van de City moeten hebben, de Franse boer die elke week weer naar de hippe Borough Market komt.

Joodse pogromvluchtelingen en Franse protestanten vonden er hun draai, verhuisden uit hun getto’s en behoren nu tot een onzichtbare middenklasse. Dat is ook gebeurd met een generatie Pakistanen, Indiërs en Caraïbische Britten. Maar die stad als succesvolle emancipatiemachine blijft nagenoeg onzichtbaar.

De straten zijn er inderdaad niet met goud geplaveid, maar je kunt het er wel maken. Met energie en geluk en hulp van je vrienden. Omdat ze er de lingua franca van het Engels spreken. Omdat er al landgenoten wonen. Omdat er werk is. En ja, ook omdat je geen paspoort op zak hoeft te hebben. Dat is de Londense droom waarmee al die jonge mannen in Calais terecht naar de horizon blijven kijken.

    • Hans Steketee