Alles opgeven voor een mooi schilderij dat niemand kent

In 1623 schilderde hij Charles I, toen nog de Britse kroonprins, met vlassig baardje en bleke huid. Het portret verdween. Waar het is en hoe het eruit zag, is een van de grote raadsels van de kunstgeschiedenis.

Photoservice Electa/Universa/REX/Shutterstock

Dat ze elkaar ontmoet hebben, de Spaanse schilder Diego Velázquez en de Engelse prins Charles Stuart, daar bestaat geen twijfel over. De latere koning Charles I reisde in 1623 naar het Spaanse hof in de hoop daar een geschikte huwelijkskandidaat te vinden. In Madrid legde Velázquez de jonge kroonprins, met zijn vlassige baardje en zijn bleke gelaat, tijdens één snelle poseersessie vast op doek. Maar waar het portret zich nu bevindt, en hoe het er precies uitziet, is een van de grootste raadselen van de kunstgeschiedenis. Het is nooit afgebeeld in catalogi, nooit gefotografeerd of nagetekend.

Er zijn wel woorden, herinneringen, beschrijvingen. Mensen die het doek gezien hebben, omschrijven het als een wonderschoon kunstwerk, zo levendig en jeugdig, zo levensecht. Toen het in 1859 tentoongesteld werd op Broadway, noemde The New York Times het schilderij ‘een van de mooiste portretten ter wereld’. Hoe de Velázquez daar terecht was gekomen, in het negentiende-eeuwse New York, is een verbijsterend verhaal dat de Britse kunstcritica Laura Cumming tot in detail heeft gereconstrueerd in haar boek Achter het verdwijnpunt.

Het portret van Charles I was allang verloren gewaand toen het in 1845 opdook op een veiling in een Engels landhuis. Daar werd het schilderij, aangeboden als ‘vermoedelijk Van Dyck’, herkend door een boekhandelaar en drukker uit Reading. Deze John Snare betaalde acht pond voor het kunstwerk, dat later zijn leven zou ruïneren. Want hoe bewijs je in de negentiende eeuw als eenvoudige koopman dat je een Velázquez bezit? Het aantal schilderijen van de Spanjaard in Britse collecties was op één hand te tellen, een kenner van zijn werk werd je pas als je rijk genoeg was om te reizen. Van röntgen- of houtonderzoek was in de kunstgeschiedenis van die jaren nog geen sprake.

Hartstochtelijke liefde

Cumming beschrijft hoe Snare alles opgeeft voor zijn schilderij. Hij voert rechtszaken over zijn eigendom, schrijft pamfletten om sceptici van repliek te dienen, huurt dure galeries om het werk tentoon te stellen. Als hij uiteindelijk aan de grond zit en al zijn bezittingen heeft moeten verkopen, verlaat hij zijn vrouw en kinderen om samen met het schilderij naar Amerika te reizen, in de hoop dat ze hem daar wel geloven. Een ‘amour fou’, noemt Cumming de relatie tussen man en schilderij: ‘Hartstochtelijke liefde tot de waanzin erop volgt.’

Haar boek heeft een hoge informatiedichtheid en zit vol interessante feitjes en sappige details. Maar Cumming slaat ook nodeloos veel zijpaden in en heeft een wat omslachtige manier van vertellen. Op haar best is ze als ze haar licht laat schijnen op het oeuvre van Velázquez en lyrisch zijn schilderijen beschrijft.

Dat het portret van Charles I ook echt bestaan heeft, wordt door de kunstcritica zeer aannemelijk gemaakt. Toch eindigt haar zoektocht op een dood spoor. Na Snare’s overlijden is het schilderij opnieuw in de vergetelheid geraakt. Het is een teleurstellend einde. Want na zoveel beschrijvingen en loftuitingen zou je het dolgraag eens in het echt bewonderen.