Woedend aardewerk in een woedende wereld

Kunst en hoe de vlag erbij hangt. Chris Rock en de Oscars. Jeroen Bosch. Grayson Perry.

Als ik Chris Rock was, zou ik ernstig aan mezelf twijfelen: hoe kan het dat iedereen tevreden is over mijn optreden als gastheer van het Oscar-gala?

Deze zwarte stand-up comedian beledigde de Hollywood-royalty op het eigen feestje met zijn grappen over het racisme in de filmindustrie. „You’re damn right, Hollywood is racist” was zijn conclusie. Hij adviseerde een Oscar in te stellen voor ‘Best Black Friend’ – om de spek-en-bonenrol voor zwarte acteurs te bekronen. Zat Hollywood zich te schamen? Welnee. Het liet zich braaf beschimpen met grappen waar het aan gewend is sinds de shows van Rocks wegbereiders Richard Pryor en Eddie Murphy. Het lachte zich een kriek. Klaar. Over tot de orde van de dag.

Misschien had Rock de dames en heren aan de macht moeten geselen met een serieus verhaal, zonder het de opluchting te gunnen van ook maar één goeie grap. Alhoewel... Chris Rock hoort erbij, daar. Die kan de pret niet bederven, net zo min als de verketterde „blanke oude mannen” aan de top ineens de diversity in de filmwereld kunnen waarborgen.

Rocks beste opmerking gold overigens niet het racisme maar de man-vrouwverdeling: „Waarom zijn er aparte Oscars voor mannen en vrouwen?”, vroeg hij zich af.

Ja, waarom? Waarom hebben we in Nederland niet een Gouden Kalf voor de beste filmacteur (m/v) van het jaar? Waarom hebben we een Theo d’Or voor de meisjes in het theater en een Louis d’Or voor de jongens? Is het omdat, in dezelfde kwaliteitscategorie, Elsie de Brauw niet mag winnen van Pierre Bokma? Of wordt impliciet erkend dat het voor Elsie de Brauw een stuk moeilijker is om een goeie rol te spelen, omdat er „nu eenmaal” minder goeie vrouwenrollen zijn?

Intussen is het maar de vraag wat je Hollywood – de wieg van prachtige films, laten we dat niet vergeten – precies kunt aanwrijven. Ja, de Amerikaanse filmwereld is behoudend, racistisch, seksistisch, bang voor homo’s. Net als zeer veel Amerikanen. En de filmindustrie leidt niet, die volgt.

Zo zijn de kunsten, meer hoef je er niet van te verwachten. Ze lopen hooguit voor de troepen uit. Zelfs de avant-garde weerspiegelt hoe de vlag er in de wereld bij hangt.

In het Noordbrabants Museum geniet ik van de panelen van Jeroen Bosch. Zijn fantasie, zijn finesse en zijn techniek vervoeren ons 21ste-eeuwers. Maar wat wij er ook bij denken, vóór alles echoot zijn werk de religieuze nachtmerrie die de middeleeuwse mens gevangen hield.

Op een uur verder rijden presenteert het Maastrichtse Bonnefantenmuseum een expositie van een hedendaagse Jeroen Bosch: de Brit Grayson Perry.

Ook zijn werk krioelt van de menselijke figuren in onthullende situaties. Hij is geestig, zoals Bosch, even ambachtelijk en levert zich net zo unverfroren over aan spot en melancholie. Hij maakt woedend aardewerk: grote potten waarop ogen uitgestoken zijn of waar een vogeltje niet „Piep” zegt, maar „Fuck”. Op zijn etsen en wandkleden treffen me vooral de gedetailleerde landkaarten van de miserabele menselijke ziel. Aan het bos dat ‘Education’ heet grenzen het fort ‘Firm Opinions’ en de vlakte ‘frozen panic’. Een wegje heet ‘insufferable cockiness’, een moeras ‘the so-called struggle’. De plattegronden gaan over Grayson Perry zelf. Ze brengen zijn twijfel in kaart, zijn zelfhaat. Hoe meer ik kijk, hoe meer ik herken. Van mij, van mijn wereld.

Perry’s mooiste kaart is de kaart van Nowhere. ‘Nergens’. Zo troosteloos. Maar gelukkig valt er schoonheid te genieten. En veel te lachen.