Kinderen ‘op Zuid’ doen het nog altijd slechter op school dan in de rest van het land

Jongeren uit Rotterdam-Zuid presteren nog altijd aanzienlijk slechter op school dan jongeren uit de rest van Nederland, ondanks jarenlang beleid om achterstanden weg te werken. Dat blijkt uit een basismonitor van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ), die wethouder Hugo de Jonge (CDA) deze week naar de gemeenteraad stuurde. Voor het eerst is daarin de schoolloopbaan van kinderen uit Zuid in kaart gebracht.

Zo is de gemiddelde Citoscore in Rotterdam-Zuid 529,6, tegen 534,9 in de rest van Nederland. Een kwart van de leerlingen uit Zuid doet in de derde klas havo of vwo; landelijk is dit 45 procent. Dat verschil is toegenomen tussen 2010 en 2014, de periode van de monitor. Bovendien volgt een derde van de leerlingen in Zuid in de derde klas een lagere opleiding dan hun was geadviseerd (landelijk is dat een vijfde). Ook komt het in Zuid vaker voor dat studenten een jaar na het halen van hun mbo-diploma geen werk hebben en geen vervolgopleiding doen.

„Geen cijfers waar je vrolijk van wordt, maar goed ze te kennen”, zegt Marco Pastors, directeur van het in 2012 gestarte NPRZ. Deze samenwerking tussen Rijk, gemeente, instellingen en bedrijven wil de achterstanden in Zuid binnen twintig jaar wegwerken. „De neerwaartse spiraal is al lang aan de gang en nog niet beëindigd. Eerdere programma’s hebben niet veel gedaan.” Tussen 2006 en 2011 was dat bijvoorbeeld het mislukte Pact op Zuid, waarvoor een miljard euro was uitgetrokken.

Leerlingen in de zeven ‘focuswijken’ van Zuid krijgen door het NPRZ zes tot tien uur extra les per week en er zijn wijkteams actief die hun thuissituatie proberen te verbeteren. Maar het is nog te vroeg om resultaten te zien, zegt Pastors. „Er was al drie jaar nodig om alle dertig scholen aan extra lestijd te krijgen. Je zou denken dat ze in de rij zouden staan voor dat extra budget, maar dat is dus niet zo.” Een periode van twintig jaar is wel afdoende, denkt Pastors.

    • Mirjam Remie