Opgefriste versie Pippin

De bedenker van ‘Pippin’ poetste de muziek van zijn oude musicalhit op voor een nieuwe versie.

Stephen Schwartz vond het een merkwaardig idee: een musical met circusnummers. Maar dwarsliggen ging hem te ver. „Ik heb me alleen wel ernstig afgevraagd of je circus kunt combineren met een musical. Het was een idee van regisseur Diane Paulus, die dolgraag een nieuwe versie van Pippin wilde maken met acrobaten en jongleurs. Ik was sceptisch. Maar ze heeft me uitgelegd dat haar geen ouderwets circus voor ogen stond. Ze had eerder voor Cirque du Soleil gewerkt – en die cirque-stijl, die een soort beeldend theater is, wilde ze samenbrengen met het musicalgenre. Ze zei dat je die circusnummers in feite kunt zien als metaforen voor de dramatische avonturen en de gevaarlijke keuzen waarvoor onze Pippin komt te staan bij zijn ontdekkingsreis naar de volwassenheid. En dat heeft me overtuigd.”

Het resultaat ging in 2013 in première op Broadway, speelde daar bijna twee jaar lang voor volle zalen en werd bekroond met vier Tony Awards, de belangrijkste theaterprijzen van New York. Een groot deel van de cast maakte vervolgens een tournee door Amerika, een rondreis die vanaf volgende week wordt afgesloten met een serie van vijf weken in theater Carré in Amsterdam. „Broadway aan de Amstel”, heet het op de reclameaffiches.

Pippin is een creatie van de Amerikaanse musicalmaker Stephen Schwartz (67). Hij schreef tekst en muziek voor alle songs, die alles bij elkaar een verhaal in een verhaal vertellen. Het begint met een bont uitgedoste groep toneelspelers die een stuk over Pippin spelen – de verbasterde naam van prins Pepijn die een zoon van de middeleeuwse keizer Karel de Grote was. Gaandeweg raken die acteurs verstrengeld met de fictieve vertelling over de prinselijke queeste. Hier wordt, kortom, een identiteitscrisis vertoond in de verpakking van een theatershow, met alle pizazz en razzle-dazzle waarin Broadway kan excelleren.

Oerversie

De show heeft een lange geschiedenis, vertelt Schwartz aan de telefoon uit New York. Eind jaren zestig schreef hij al een oerversie, toen hij nog studeerde aan de Carnegie Mellon University. „Daar was een uitstekende drama-afdeling die elk jaar een musical produceerde. Drie jaar achtereen ben ik toen degene geweest die de jaarlijkse musical schreef. En de tweede van die drie heette Pippin, al is er uiteindelijk in de latere versies vrijwel geen woord en geen noot van het origineel overgebleven.”

Zo wierp Stephen Schwartz zich dus als beginnende twintiger op een genre dat destijds onder zijn generatiegenoten – in de gloriejaren van de popmuziek – geen enkele belangstelling genoot. „Dat klopt”, beaamt hij. „Als je in de jaren zestig en zeventig liedjes wilde schrijven, richtte je een bandje op. Of je werd singer-songwriter. Vooral dat laatste was destijds enorm in de mode. Het maken van een musical kostte je in die tijd je geloofwaardigheid. Dan deed je niet meer mee. Maar mijn ouders waren altijd verwoede theaterbezoekers geweest en hadden mij vaak meegenomen, ook toen ik nog heel jong was. We woonden op Long Island, niet veel meer dan een half uurtje rijden naar Broadway. Daardoor ben ik opgegroeid met het zien van heel veel klassieke musicals. En daarna was het voor mij een volkomen logische stap om voor het theater te gaan werken. Al was het wel grappig dat mij in het begin werd verweten dat ik geen echte musicalmuziek schreef, maar popnummers.”

Wat is het verschil?

„Een musicalnummer heeft urgentie. Het moet juist op dát moment in het verhaal worden gezongen. Het stuwt de handeling voort en het komt op een ander punt uit dan waar het begon. In de tussentijd moet er iets veranderd zijn. Neem een nummer als Fame. Waar gaat dat over? I’m gonna live forever, méér wordt hier niet verteld – het verlangen naar eeuwige roem. Het is puur een popsong; pas later is er een musical omheen gebouwd. Maar verder gaat het nergens naartoe. Dat geldt voor de meeste popsongs: de zanger zingt wat hij voelt, en daar komt geen verandering in. Terwijl je een musicalsong kunt vergelijken met hardop nadenken – en liefst ook tot een conclusie komen. Waarbij het publiek aan het slot méér weet over het personage dan aan het begin. Het is opmerkelijk dat zelfs de grootste schrijvers van popsongs zelden een succesvolle musical hebben gemaakt. Ik vind Paul Simon een van de briljantste singer-songwriters die we ooit hebben gehad, maar zijn musical The Capeman (1998) is volkomen geflopt. Je moet een verhaal kunnen vertellen volgens de dramaturgische wetten van het theater. En dat blijkt een heel ander vak te zijn.”

Kassucces

Schwartz' eigen eerste Broadway-hit was Godspell in 1971, een bijbelse rockmusical in het voetspoor van Jesus Christ Superstar, het kassucces van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice. Nog geen jaar later, in 1972, volgde de eerste Broadway-productie van Pippin, die in vierenhalf jaar maar liefst 1.944 keer werd gespeeld. Maar daarna lukte lang niet alles meer. „Ik heb in die tijd zelfs nog even overwogen psychologie te studeren, om een heel andere carrière te beginnen.” Het duurde nog tot 2003, drie decennia later, voordat hij opnieuw een internationaal kassucces wist te creëren: Wicked, de musical die een spiegelversie van The Wizard of Oz vertelt. Drie keer raak – wie zo vaak zo veel publiek wist te trekken, is een grootheid in het musicalgenre, waarin flops aanzienlijk vaker voorkomen dan successen.

Toen een producent opperde Pippin dertig jaar na dato weer op Broadway te zetten, bedong Schwartz dat hij eerst nog aan het script en de muzikale arrangementen wilde morrelen. „Door die ingrepen is de show beter geworden”, vertelt hij. „Aan de melodieën en de harmonieën is niets veranderd, maar ik heb wel het idioom in het gesproken woord en de zangteksten aangepast aan deze tijd. Ook de klank van het orkest is gemoderniseerd. Wat destijds nog naar een bigband klonk, is nu meer een combinatie van pop en rock geworden, met een veel groter accent op de gitaren. Dat is het grote voordeel van theater. Zo’n show hoeft niet in het verleden te blijven steken, je kunt je werk altijd blijven verbeteren.”

De reizende Pippin-productie speelde eind februari nog in Philadelphia en komt volgende week naar Amsterdam. Ten tijde van ons gesprek weet Stephen Schwartz nog niet of hij zelf bij deze Europese première zal zijn. „Ik kom graag naar Nederland”, zegt hij. „Maar tegelijkertijd opent er in São Paulo een Braziliaanse productie van Wicked, de eerste in Zuid-Amerika. Welk van de twee moet ik kiezen? Ja, dat kun je een luxeprobleem noemen.”