Column

Ode aan het vaste dienstverband

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag over economie en de financiële markten.

Athos Bagatin was zijn naam, en hij werd in 1993 door een Venetiaanse rechter veroordeeld tot een opmerkelijke straf: het direct opnemen van 900 dagen vakantie. De kantoorklerk had ze in de 28 jaar dat hij werkte nooit gebruikt omdat hij zich onmisbaar achtte. Maar nu moest hij wel. En aangezien hij inmiddels 60 was, kon hij direct door naar zijn pensioen.

Nee, dan Joaquin Garcia. Deze Spaanse ambtenaar kwam zes jaar lang niet opdagen zonder dat iemand hem miste. Dat werd in februari van dit jaar pas ontdekt toen hij door zijn werkgever werd gezocht – in verband met zijn twintigjarige jubileum op de zaak.

Deze twee voorvallen zaten gisteren niet bij de Kamerstukken voor de hoorzitting die werd gehouden rond de Wet werk en zekerheid (WWZ). Maar ze geven de twee clichés over de vaste werknemer goed weer: de buffel versus de lapzwans.

De WWZ van minister Asscher van Sociale Zaken was bedoeld om vast werk wat minder vast te maken en flexwerk wat minder flex. Maar hoe meer de gevolgen van de wet in de praktijk blijken, hoe duidelijker het werd dat het een draak van een wet is. En in veel gevallen precies het omgekeerde doet van waar die voor bedoeld is. Flexwerkers en zzp’ers gaan erop achteruit, en de vaste werknemer is juist nóg moeilijker te ontslaan.

Wie niet beter weet, zou denken dat de wet lijkt te zijn ontworpen om de Nederlandse arbeidsmarkt moedwillig een zware slag toe te brengen. Dinsdag verklaarde MKB-voorzitter Michaël van Straalen in deze krant de wet dan ook zo’n beetje failliet. En in het Financieele Dagblad lieten de hoogleraren arbeidsrecht Ferd Grapperhaus en Evert Verhulst er woensdag eveneens weinig van heel. In de hoorzitting van gisteren klaagden ondernemers dat zij nu niet meer van hun niet functionerende werknemers afkomen. Om één lapzwans te vermijden, lopen ze straks tien buffels mis.

Waar was de WWZ ook alweer een oplossing voor? Eigenlijk begint het allemaal met de moderne overtuiging dat een vaste medewerker voor een werkgever een slecht idee is. Maar is dat wel zo?

De oude deal tussen bedrijf en arbeider was: ik geef jou zekerheid, jij geeft mij loyaliteit. En dus zat je als werkgever wel vast aan je mensen, maar die investeerden wel in alle eigenaardigheden van je onderneming. Kennis die elders vaak totaal nutteloos was, maar in dit specifieke bedrijf onontbeerlijk.

De schouders eronder bij tegenslag, de sfeer, de kennis: het zijn allemaal immateriële activa die boekhouder noch HR-manager kunnen meten, maar ze zijn er wel. Er is onderzoek dat er op wijst dat werknemers in vaste dienst beter zijn voor de productiviteit dan flexwerkers. Ander onderzoek wijst er op dat inkomensverschillen toenemen – niet omdat vaste medewerkers beter worden beloond, maar flexwerkers minder.

Vaste werknemers zijn tevreden met hun baan – 97 procent volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in 2014. Flexwerkers niet: slechts 31 procent. Het SCP berichtte deze week nog dat deze groep een grote kans maakt in armoede te vervallen.

De WWZ zorgt nu voor minder vaste werknemers en méér flexwerkers. Blijft dat zonder gevolgen? In de negentiende eeuw werd de opkomst van het kapitalisme verdedigd met het idee dat de ondernemer in zijn streven naar eigenbelang zijn omgeving met zich mee verheft. Daarvan hangt misschien nog steeds een flink deel van de maatschappelijke rechtvaardiging en acceptatie van de ondernemingsgewijze productie af. Geen zekerheid, geen loyaliteit. Dat dreigt vergeten te worden in een tijd dat de sfeer in de samenleving al aan de explosieve kant is.