Mooi hoor, maar wat zegt het?

Kan de burger weer grip krijgen op zijn eigen bestaan? Het antwoord op expositie ‘Hacking Habitat’ waaiert breed uit.

Hippie-performer Simon Vinkenoog verdween zes weken achter de tralies omdat hij betrapt werd met 0,16 gram marihuana op zak. Dichter Gerrit Kouwenaar zat er drie jaar, tussen 1942 en 1945, vanwege het verspreiden van het communistische dagblad De Waarheid. Ferdinand Domela Nieuwenhuis – grondlegger van het anarchisme en socialisme in Nederland – ging acht maanden de gevangenis in, in 1887, vanwege majesteitsschennis. En nu zit Pietje hier.

Pietje is de enige gevangene in de in 2014 gesloten penitentiaire inrichting aan het Utrechtse Wolvenplein. Pietje is een kanariepiet, een sociaal beestje dat graag met soortgenoten verkeert. In het Wolvenplein zit hij aan het eind van een gang met cellen in een van de koudste ruimtes van de gevangenis. Hij zit belicht door kunstlicht een dikke drie maanden lang een soort van eenzame opsluiting uit.

Ik zeg het met opzet dramatisch. Want zo hipt de kanariepiet rond in zijn glanzend gelakte, vintage kooitje. Het diertje maakt deel uit van een installatie van de Amerikaanse kunstenaar Claire Pentecost (1956). For the body without organs to sense, zoals het werk heet, dateert uit 2014 en bestaat uit meer dan dertig andere vintage vogelkooitjes die aan het plafond hangen. Dat levert een aardig esthetisch beeld op, maar wat zegt het?

Buig je je dichter naar de andere kooitjes, dan zie je op de bodem zwarte blurbs met tepels liggen. Dit zijn ‘borsten’ van bruinkool – volgens de kunstenaar symboliseren ze hoop op een betere wereld. De kooitjes refereren aan de vogels die vroeger mee de mijnen werden ingenomen en als levend alarm dienden.

Pentecosts werk maakt deel uit van de net geopende internationale groepstentoonstelling Hacking Habitat in de oude gevangenis in Utrecht, en is exemplarisch voor de problematische aard hiervan.

Controlesamenleving

Hacking Habitat is de schepping van curator Ine Gevers en is net zo idealistisch geïnspireerd als de vorige producties van Gevers. Ditmaal buigt de curator zich over de controlesamenleving en hoe de burger weer grip kan krijgen op zijn eigen bestaan. Kunstenaars zijn daarvoor het leidend principe: zij gaan ons voor op paden waar wij nog niet van kunnen dromen. Althans – dat is het idee.

Liefst 86 kunstenaars zijn verzameld in een groot deel van het keurig schoongemaakte complex. Sommige kunstenaars hebben nieuw werk gemaakt, maar bestaand werk domineert. Het merendeel van de kunstenaars zit in krappe cellen (soms met zijn tweeën). Megasterren, zoals de Zuid-Afrikaanse William Kentridge of de al lang overleden kunstgoeroe Joseph Beuys, hebben de beschikking over een hele (gym)zaal.

Die 86 kunstenaars is té veel – op een heleboel manieren. Van een groot aantal werken, onder andere dat van Pentecost, begrijp je bijvoorbeeld niet wat ze doen op een tentoonstelling die de toenemende controle in onze technocratische samenleving voelbaar wil maken. Dat probleem ontstaat doordat Gevers, zo merk je in de oude gevangenis, haar redelijk heldere beginpositie heeft losgelaten en de tentoonstelling heeft uitgebreid met thema’s die zo gevarieerd zijn als een groot nieuwsbulletin. Zo staan naast ‘data en surveillance’ ook ‘destructieve krachten’ op het programma, ‘de financiële wereld en zijn logica’ en ‘geweld en zijn tegenbeweging’.

Hadden die onderwerpen de vertolking gekregen waarop je hoopt, in de vorm van verbeeldingsvolle alternatieve strategieën voor samenleven en voortbestaan, dan was er niet veel aan de hand geweest. Maar de meeste kunstenaars op Hacking Habitat beperken zich tot het stellen van diagnoses: diagnoses die we al kennen. Zo laat de Amerikaanse kunstenaarsgroep van Laura Kurgan en Eric Cardona in Million Dollar Blocks (2006) aan de hand van demografische gegevens op een grote hoeveelheid beeldschermen zien dat gevangenen in de Verenigde Staten afkomstig zijn uit – jawel: bepaalde buurten, bepaalde staten. Waarom dit visueel oninteressante werk is verkozen boven het veel interessantere, gelijksoortige project waarmee Falke Pisano in 2013 de Prix de Rome won, is een raadsel.

Volgens Gevers neemt Hacking Habitat de bezoeker mee „in een wervelende science fiction real time”. Dat klinkt lekker hip, maar is helaas niet echt waar. Die ‘science fiction real time’ begint pas na anderhalf uur zachtjes te gloeien.

Dan stuit je op het eerste echt goede werk: een nieuwe film van de Heerlense kunstenaar Melanie Bonajo. Progress versus Regress (2016) gaat over de manier waarop ouderen zich tot nieuwe technologie moeten verhouden, wat ze missen in hun dagelijks leven (de nachtkus van de zuster in een verzorgingstehuis, iemand die even je schouders masseert) en nog veel meer. In een klein uur brengt Bonajo een ontroerende ode aan een grijze golf die niet meer voor zichzelf kan zorgen maar zoveel interessants te melden heeft. Ze verpakt dit in haar welbekende visuele jargon vol zuurstokkleuren en knotsgekke grafische effecten.

De beste deelnemers op het Wolvenplein laten zich niet in een thema wringen. Zo laat Kentridge in The Refusal of Time (een vijfdelige videoprojectie met een bewegende ja-knikker in de ruimte en een soundscape) aan het eind van het parcours een half uur van je tijd met alle gemak oplossen in een tokkelende, dreigende en beeldschone bevraging van tijd.

Ook de Castilliaanse kunstenaar Fernando Sánchez Castillo vormt zo’n hoogtepunt. De kunstenaar besloot in 2011 de ‘Azor’ op te kopen, het chique plezierjacht van de gehate ex-dictator Franco. In Guernica Syndrome (2011-2016) verwerkt Sánchez Castillo de boot tot min of meer rechthoekige pakketten schroot. Het is een weerbarstige echo van de wrede geschiedenis van Spanje, het verwijst naar het minimalisme, maar is ook een symbool: dat je als kunstenaar iets wat slecht was, kunt transformeren in iets moois en waardevols.