Er zitten kinderen in de kleine lijkzakken

Vanuit Dikili wagen deze Afghaanse gezinnen de oversteek naar Europa. Het is koud en veel kinderen huilen.

Foto Fabrizio Bensch/Reuters

Het is pikkedonker en guur. Ik rijd met een collega door verlaten vakantiedorpen aan de Turkse kust. Ik heb er een hard hoofd in dat het zal lukken migranten en mensensmokkelaars te vinden. Sinds de Europese Unie en de Turkse regering eind november een akkoord sloten is de handel ondergronds gegaan. Steeds zijn andere stranden populair als vertrekpunt. Mensen bij wie ik informeer, geven vage en tegenstrijdige informatie.

De belangrijkste aanwijzing voor waar ik migranten kan vinden, zijn de stranden waar het kortst geleden lichamen aanspoelden. De imam die het grafveld voor niet-geïdentificeerde doden beheert, begraaft op de dag dat ik contact zoek met elf mensen. Ze komen vermoedelijk uit Irak. Vijf van de lijkzakken zijn klein. Er zitten kinderen in. Ze krijgen een nummer en hij bidt kort voor hen, samen met de dragers van de kisten. DNA-materiaal wordt bewaard, voor als nabestaanden zich melden.

Het stadje Dikili, ten noorden van Izmir, wordt vaker genoemd dan andere. Het ligt dicht bij het Griekse eiland Lesbos. Ik boek een hotel in Dikili en loop ’s avonds laat op goed geluk een privéstrand op achter een wijkje met verlaten zomerhuizen. De bewaker die met een kop thee voor de tv zit, is blij met de afleiding. Hij loopt mee naar de waterrand en schijnt behulpzaam met zijn zaklamp door de dikke rietkraag. „Daar worden vaak boten verstopt of zitten mensen.” Hij noemt andere stranden in de buurt van Dikili. Namen die de hotelmanager en een taxichauffeur ook al noemden. „Ga na vier uur ’s nachts.”

De huurauto komt bijna vast te zitten in de modder op de onverharde weg. Het is volle maan, waardoor ik nog wat kan zien tussen de olijfbomen. We staan nog geen kwartier op het stille strand of er komen twee witte minibusjes aanrijden. Ongeveer veertig Afghanen struikelen over elkaar naar buiten. Het zijn vooral gezinnen. Er worden wat rood-zwarte reddingsvesten verdeeld. Het Yamaha-logo zit op een andere plaats dan bij de echte Yamaha’s.

Een Turk die een van de busjes bestuurde en nu de boot uitrolt, doet nerveus. Hij vindt het duidelijk onprettig dat hier journalisten rondhangen. Hij rookt en pleegt een telefoontje. Een van de migranten vraagt hem waar het derde busje blijft. De groep is nog niet compleet. De smokkelaar maakt zich er met een smoesje vanaf. „Lekke band.”

Een paar mannen moeten helpen de plastic boot uit te rollen en op te pompen. Het is koud en veel van de kinderen huilen. Ze hebben skipakjes aan. De moeders hebben niet genoeg armen om hen allemaal tegelijk te troosten. Het was moeilijk een smokkelaar te vinden, vertelt de Afghaanse vrouw die Engels spreekt en een kindje van zeven, vijf en een van vier bij zich heeft. „Het duurde lang. Ze zijn bang dat de politie hen vindt.”

Ze heeft geprobeerd haar oudste zoontje te vertellen over de tocht die ze gaan maken. „Ik zei tegen hem dat we even weggaan. En dat hij niet bang moet zijn. Ik heb hem alles verteld. Ook dat het moeilijk en gevaarlijk is …” Ze maakt haar zin niet verder af en wendt haar hoofd af.

Ik kijk hoe een vader zijn zoontje van een jaar of drie een reddingsvest probeert om te gespen. Het is van oranje plastic en doet denken aan zwemvleugeltjes. Eén stoot tegen een rotsblok in die koude zee en het is lek, denk ik als ik erin knijp. Het jochie wordt steeds driftiger en slaat het vest van zich af. Hij moet het om. Opeens zijn de smokkelaars uit het eerste busje terug. Mijn collega krijgt een dreun op zijn neus. Hij zag hem niet aankomen. „Oprotten of we maken je dood”, roepen ze. We struikelen richting auto en rijden weg. Hoe het met deze groep mensen is afgelopen, weet ik niet.

    • Marloes de Koning