Omscholingsfonds dansers onder druk

Al 30 jaar kunnen dansers na hun carrière beroep doen op een omscholingsfonds. Die regeling staat nu onder druk.

Andreas Kuck in The Black Peace van choreografe Ann Van den Broek van gezelschap Ward/ward.

Hij heeft veertien jaar lang aan al zijn verplichtingen voldaan, en toch dreigt danser Andreas Kuck (39), door een ernstige rugblessure gedwongen zijn podiumcarrière te beëindigen, de ondersteuning van Stichting Omscholing Dansers Nederland (ODN) mis te lopen. Omdat, volgens ODN, zijn laatste werkgever niet de volledige omscholingssubsidie van het ministerie van OCW naar de stichting heeft doorgesluisd. Terwijl volgens die werkgever, gezelschap Ward/ward van choreografe Ann van den Broek, de stichting ODN uitgaat van een betalingsverplichting die er niet is.

Kuck, die op 1 maart had willen beginnen met de opleidingen voor yogadocent, voedingsadviseur en massagetherapeut, zit bekneld tussen wal en schip. Na diverse gesprekken met de coach van de stichting ODN kreeg hij in januari plots te horen dat zijn financieringsaanvraag niet gehonoreerd zou worden. „Een shock”, zegt Kuck. „Het verbaast me ook. Ik vind de omscholingsregeling prachtig, maar krijg nu het gevoel dat ik tegen mijn werkgever word opgezet. Dat zijn politieke spelletjes waar ik niet aan mee wil doen.”

De welles-nieteszaak tussen ODN en een aantal dansgezelschappen is potentieel een bedreiging voor het voortbestaan van de succesvolle omscholingsregeling. Al dertig jaar kunnen dansers die na hun podiumcarrière een nieuwe loopbaan moeten kiezen een beroep doen op een speciaal omscholingsfonds, opgebouwd met premies van dansers en hun werkgevers, met een extra aanvulling uit subsidie van het ministerie van OCW. Als uitvoerende van de regeling ondersteunt ODN met geld en advies dansers bij hun carrièreswitch. Voorheen ontving de ODN de subsidie van OCW rechtstreeks, maar op last van de Algemene Rekenkamer is besloten de subsidiestroom te laten lopen via de gezelschappen die deelnemen aan de ODN – grote, structureel gesubsidieerde dansgezelschappen en kleinere groepen die subsidie van het Fonds voor de Podiumkunsten ontvangen.

En daar zit het probleem, aldus Paul Bronkhorst, directeur van de ODN. Sommige gezelschappen kiezen ervoor de extra subsidiegelden, bedoeld voor de omscholingsregeling, niet meer ‘door te sluizen’. „Zij dragen wel premies af, maar gebruiken de extra gelden voor andere zaken.” Dat mag, erkent Bronkhorst, want de extra subsidie is niet geoormerkt en het ministerie houdt zich tot nu toe afzijdig. Bronkhorst: „Als het ene gezelschap het geld niet doorsluist, gaan ze bij het andere achter hun oren krabben: waarom zouden wij dan wél? Zo komt de collectiviteit van de regeling, die voor de hele sector is bedoeld, op de helling te staan. ”

Van den Broek is verontwaardigd over de beschuldigende vinger in haar richting. „Veel dansers werken maar kort in Nederland en zien nooit iets van hun premie terug. Ons bestuur heeft daarom besloten de omscholingssubsidie voor een eigen studiefaciliteit te gebruiken. Er staat nergens dat dat niet mag. Gaan zij daarom iemand die ruim veertien jaar premies heeft afgedragen zijn recht ontzeggen?”

Ward/ward is niet het enige gezelschap dat de extra ontvangen subsidie niet naar de ODN overmaakt. Ook Introdans bestemt die, gedeeltelijk, anders: een ‘omscholingspotje’ voor hun technici. „Die moeten door hun zware werk immers ook vaak vroeg omscholen”, zegt financieel manager Dory Jansen van Introdans.

Intussen zit Bronkhorst met een gat van 120.000 euro op de begroting. Het bestuur van ODN gaat van een betalingsverplichting uit en neemt geen aanvragen voor omscholingsondersteuning (studiefinanciering en een uitkering) meer in behandeling van dansers bij ‘weigerachtige’ werkgevers. Bronkhorst beschouwt een verhoging van de premies als mogelijke oplossing om de regeling op niveau te houden.

„Het zou vreselijk zijn als dansers nu de dupe worden van deze situatie”, zegt Klaas Backx, die als ex-danser op voordracht van FNV KIEM in het bestuur van ODN zit. „Wij vragen ons af of de dansers bij de gezelschappen zonder OR wel betrokken worden bij de besluitvorming over het al dan niet doorsluizen van het geld voor hun arbeidsvoorwaarden. Terwijl het zó belangrijk is dat dansers zoveel mogelijk rechten opbouwen. Je weet immers nooit hoelang je carrière duurt.”