Nederlandse galeriehouders boeken voorzichtig succes in Leipzig

In het Duitse galeriewezen, zoals de ‘Spinnerei’ gaat het er respectvoller en gründlicher aan toe, volgens Nederlandse galeriehouders. Maar succes in Duitsland is een zaak van lange adem. Belangstelling wekken is iets anders dan kunst verkopen.

De Spinnerei, de voormalige katoenfabriek in Leipzig die nu cultureel centrum is. Hier hebben ook Gerhard Hofland en Francis Boekse hun gezamenlijke galerie.

Gemeenschappelijke vrienden moesten lachen toen Jan van der Ploeg en Riette Wanders vertelden dat ze verliefd op elkaar waren. Twee zulke verschillende kunstenaars samen? Hij werd bekend met formele, kleurige wandschilderingen, zij maakt rauwe, diepzwarte houtskooltekeningen. Maar hun eerste gezamenlijke tentoonstelling, in september, maakte duidelijk dat ook hun werk goed bij elkaar past, zegt Van der Ploeg. „Niet zo gek; we hebben dezelfde inspiratiebronnen.”

De galerie in Leipzig waar zij gezamenlijk exposeerden, Boeske & Hofland, lijkt al net zo’n ongerijmde combinatie. Hoe Duits de naam ook klinkt, het is een oer-Hollandse samenwerking van Galerie Gerhard Hofland en Francis Boeske Projects, beide gevestigd in Amsterdam. Francis Boeske, ook bekend als medeorganisator van de Amsterdam Art Fair, is vertegenwoordiger van Riette Wanders, Gerhard Hofland van haar vriend Van der Ploeg. Het programma van beide galeries contrasteert nogal. Maar net als bij Van der Ploeg en Wanders pakt de ogenschijnlijk vreemde combinatie goed uit.

Boeske (57) en Hofland (56) bezochten vorig jaar samen de Spinnerei in Leipzig, een voormalige katoenfabriek waarin honderd ateliers en twaalf vooraanstaande Duitse galeries zijn ondergebracht. Met de plaatselijke kunstacademie is dit monumentale gebouw het culturele hart van de stad die eind jaren negentig naam maakte met de Neue Leipziger Schule, de schildersgroep die een draai gaf aan het Oost-Duitse sociaal realisme.

De twee Amsterdamse galeriehouders bezochten de Spinnerei tijdens een Rundgang, een van de drie weekeinden in het jaar dat alle galeries in het complex tegelijk een opening houden. Een festijn met hapjes en drankjes, waar zo’n 20.000 bezoekers op af komen. Dat maakte indruk.

Op het complex is een gastgalerie die steeds voor twaalf maanden aan een buitenlandse galerie wordt verhuurd. Was dat niet iets voor één van hen? Te veel werk voor een eenmansonderneming, vonden ze. Maar samen, zegt Boeske, leek het ze goed te doen. Met de tentoonstelling van Van der Ploeg en Wanders gingen ze in september van start. Die formule, duo-exposities van kunstenaars uit beide galeries, hebben ze daarna gecontinueerd. Volgende week zaterdag opent de vierde, met Ryan Wallace en Koen Taselaar.

Dependance

Boeske en Hofland zijn niet de eerste Nederlandse galeriehouders met een dependance in Duitsland. Emmo Grofsmid en Karmin Kartowikromo van de Rotterdamse MK Galerie hadden vanaf 2007 ook een galerie in Berlijn (tot 2011, het jaar dat ze op weg van Rotterdam naar Berlijn met hun auto verongelukten). En Johan Deumens, van de gelijknamige galerie in Haarlem (nu Amsterdam), had vanaf 2010 twee jaar een nevenvestiging in Leipzig.

De Duitse kunstmarkt verschilt van de Nederlandse, zeggen de galeriehouders. Niet alleen is de toeloop in hun dependance veel groter, ook de serieuze aandacht van de bezoekers verbaast hen. Boeske: „Toen Lieven Hendriks in Leipzig exposeerde wist hij niet wat hem overkwam. Nooit eerder had hij zoveel vragen over zijn werk moeten beantwoorden.” Hofland: „In Nederland wordt kunst soms als een noodzakelijk kwaad beschouwd. In Duitsland is voor kunst en kunstenaars meer respect.”

Maar belangstelling wekken, is iets anders dan kunst verkopen. De mannen van de MK Galerie verkochten het eerste jaar in Berlijn niets. Hetzelfde geldt voor Boeske & Hofland. Sinds september hebben ze misschien wel 60.000 bezoekers over de vloer gehad, maar nog nul rode stippen kunnen plakken. Hofland: „Duitsers kijken de kat uit de boom.” Boeske: „Ik beschouw dit avontuur als een investering, zowel in mijn kunstenaars als in onze samenwerking.”

Goed Duits spreken

Johan Deumens deed wel meteen zaken in Leipzig. „Vooral omdat ik een bekende Duitse kunstenaar in mijn stal had. Met exotische kunstenaars moet je in Duitsland een lange adem hebben.”

Leipzig is bovendien een eiland in een groot niemandsland, zegt de in conceptuele kunst gespecialiseerde galeriehouder. „De stad telt nauwelijks verzamelaars. Mijn klanten kwamen uit Berlijn. Je moet samenwerking zoeken met Duitse galeries, je programma breed kenbaar maken. Wat ook helpt is goed Duits spreken. En hoffelijk zijn. Met de Hollandse rechttoe-rechtaanmanieren red je het niet. Met veel zwier rondleidingen aanbieden, dat wordt gewaardeerd.”

Boeske en Hofland reizen alleen voor openingen naar Leipzig. Twee Duitse assistenten bemannen de galerie de overige dagen. Bij die openingen kijken de galeriehouders soms hun ogen uit. Bijvoorbeeld toen de buurman, Galerie EIGEN + ART, een tentoonstelling presenteerde van Neo Rauch, de belangrijkste representant van de Neue Leipziger Schule. Met privévliegtuigen kwamen de verzamelaars ingevlogen. Hofland: „Wat wil je, met kunstwerken die minimaal acht ton kosten.”

Komende zomer loopt hun contract met de Spinnerei af. Gaan ze door met hun gezamenlijke Duitse onderneming? Hofland, met een lach: „Dan zou er eerst wat moeten worden verkocht.” Boeske: „Ik geniet van de samenwerking. Misschien moeten we straks in een andere stad een nieuwe pop-upgalerie openen.”

Voor Jan van der Ploeg krijgt de expositie in Leipzig een vervolg. Samen met twee andere kunstenaars is hij gevraagd voor de Spinnerei een tentoonstelling over Nederlandse schilderkunst samen te stellen. Van der Ploeg: „In Nederland wordt me soms gevraagd of ik een muurschilderingetje wil maken. En zonder budget, want dat blijkt er helaas niet te zijn. Dat gaat daar anders, seht gründlich en respectvoller. Geen budget? Dan maken ze gewoon budget.”