In Suriname heeft iedereen last van de crisis

Het gaat slecht met de economie van Suriname. De ontevredenheid onder de bevolking groeit, maar een verbetering lijkt nog ver weg.

Inwoners van Suriname tanken massaal brandstof bij een benzinepomp nadat de Centrale Bank de Surinaamse dollar met 20 procent heeft gedevalueerd. Foto ANP / Pieter van Maele

Gaytri Lachman (53) onderzoekt het voedselpakket dat een medewerker van stichting Kweki Makandra (‘Verzorg Elkaar’) haar aanreikt. Kip, een blik bruine bonen, een grote zak rijst en nog een tiental andere levensmiddelen. „Hier kunnen we wel even mee vooruit”, zegt ze opgelucht en sjouwt het pakket naar haar auto. Die stamt uit betere tijden. „Mijn zoons werkten in een houtfabriek, verdienden goed en kochten deze auto. Maar nu is alles zo duur geworden, dat we het zonder dit voedselpakket niet redden.”

Gaytri Lachman heeft net als honderdduizenden landgenoten last van de crisis in Suriname. Ging het bijna een decennium voor de wind, met de laatste jaren zelfs een economische groei van meer dan 4 procent, sinds kort gaat het bergafwaarts. Door een forse daling van grondstofprijzen van vooral van goud en olie – samen goed voor 90 procent van de totale export en een derde van de overheidsinkomsten – daalden de inkomsten uit de export. Bovendien beëindigde het Amerikaanse Alcoa onlangs na bijna honderd jaar zijn activiteiten in de bauxietindustrie, al was die sector voor Suriname de laatste jaren al van minder belang.

Tegelijkertijd namen de uitgaven van de overheid toe. Zo traden in het jaar voor de verkiezingen in mei vorig jaar, volgens sommige schattingen, bijna achtduizend mensen in dienst van de overheid. En die was al groot, met zo’n 40.000 ambtenaren op een bevolking van 560.000 zielen.

surinamegrafiek
Ook de invoering van sociale maatregelen zoals verhogingen van kinderbijslag, ouderdomsuitkering en de invoering van een sociaal zekerheidsstelsel kostte de regering veel geld. Het overheidstekort liep volgens officiële cijfers op tot 6 procent van het bruto binnenlands product. Maar het ligt volgens economen mogelijk zelfs rond de 16 procent, omdat veel bedrijven niets of nauwelijks uitbetaald kregen. Toen in november vorig jaar de wisselkoersen op de zwarte markt op hol sloegen, besloot de toenmalige president van de centrale bank Gillmore Hoefdraad tot een devaluatie van de Surinaamse dollar - met 20 procent.

Verkeerde maatregelen

In zijn kantoor schudt Sigmund Proeve, directeur van De Surinaamsche Bank (DSB) en voorzitter van de bankiersvereniging, zijn hoofd. „Er zijn een paar verkeerde beslissingen genomen, waarvan ik als econoom zeg: ‘Dat zou anders moeten’.”

De DSB-directeur wijst op maatregelen van de regering-Bouterse in de tijd dat de economie groeide. Hij noemt de verhoging van pensioenen en de kinderbijslag, en invoering van minimumloon en algemene ziektekostenverzekering. Proeve: „Belangrijke zaken, maar was het de tijd wel? Zou er niet eerst geïnvesteerd moeten worden in onze productiesector, zodat we minder afhankelijk worden van grondstoffen?” Hij noemt landbouw als voorbeeld: „We hebben een perfect klimaat en vruchtbare grond. Er moet alleen geïnvesteerd worden. Nu wordt er vooral uitgegeven.”

Proeve, die eerder getipt werd voor de post van president van de centrale bank, ziet devaluatie niet als oplossing. „Een devaluatie werkt alleen in een land dat exporteert en waar investeerders al naar toe trekken”, zegt hij.

„Kijk naar ons buurland Brazilië, dat nu in een vergelijkbare economische crisis zit, maar door daling van hun nationale munt nu wel interessant is voor investeerders.”

Door de devaluatie zijn ook de prijzen in kledingzaak Senso/Plus van ondernemer en econoom Waddy Sowma, tevens voorzitter van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES), gestegen. „Onze kleding komt uit het buitenland, en die betaal ik in dollars. Door de devaluatie hebben we alles nu al met 15 procent moeten verhogen. Maar hoever kun je gaan? Straks kopen de mensen niets meer.”

Sowma en zijn vereniging zagen de crisis al ver voor de verkiezingen aankomen. „Vóór de verkiezingen waarschuwden we over het wanbeleid van de regering, maar toen luisterde niemand. In verkiezingstijd maak je je met zorgwekkende geluiden nu eenmaal niet geliefd”, zegt Sowma.

Ontevredenheid groeit

De ontevredenheid onder de bevolking groeit en de eerste demonstranten zijn de straat al op gegaan. Behalve de crisis zijn groeiende corruptie en nepotisme veel Surinamers een doorn in het oog: bevriende partijgenoten en familieleden worden op prominente posities geplaatst en ontvangen riante salarissen.

De in 2013 na publicaties over corruptie afgetreden minister van Openbare Werken, Ramon Abraham, werd raadsadviseur. Vorige maand benoemde Bouterse, zijn persoonlijke vriend Hans Jannasch tot waarnemend hoofd Veiligheidsdienst (CIVD). Jannasch, net als Bouterse oud- militair, werd in 2004 veroordeeld voor drugshandel, maar kreeg gratie toen Bouterse in 2010 aan de macht kwam. Hij gaf zijn vrouw een betaalde functie binnen het staatsapparaat en zijn dochter, Peggy, werd benoemd tot raadsadviseur bij het kabinet van de president.

Ondertussen komen corruptie en mismanagement bij staatsbedrijven aan het licht. „Baantjes worden onderling uitgedeeld, en wij kennen niemand bij de overheid, dus wat moet je dan? Werk vinden is heel moeilijk”, zucht Gaytri Lachman bij de uitdeling van voedselpakketten.

De kans dat het met de toenemende ontevredenheid zover komt als in 1999 toen president Jules Wijdenbosch, partijgenoot van Bouterse, na demonstraties van tienduizenden Surinamers werd gedwongen vervroegde verkiezingen uit te schrijven, lijkt klein. Het huidige protest wordt niet breed gedragen en de oppositie kan nauwelijks op tegen de regerende coalitie.

Bouterse gaf onlangs op een persconferentie toe dat zijn beleid tekortschoot: „De inkomsten werden niet in de gaten gehouden en de uitgaven waren meer dan de inkomsten. Er zijn fouten gemaakt.” Hij omschreef de situatie waarin Suriname nu verkeert als „pompen of verzuipen”. Inmiddels is ook de hulp ingeroepen van het door Boutere altijd zo fel bekritiseerde Internationaal Monetair Fonds, dat in februari een eerste missie naar Suriname afsloot.

Econoom Proeve ziet in de huidige economische crisis ook als een regionale component:

„In veel landen in Latijns-Amerika vindt een ruk naar rechts plaats, verliest het populisme terrein, en staan economieën onder druk door lage grondstofprijzen en een sterke dollar.”

Een nieuwe poging van de centrale bank om de crisis de bestrijden is het loskoppelen van de Surinaamse dollar van de sterke Amerikaanse dollar. Economen verwachten hierdoor meer monetaire stabiliteit. Maar zo waarschuwde directeur Jim Boussaid van Hakrinbank:

„Het succes valt of met een lager uitgavenpatroon van de overheid en meer deviezen die het land inkomen.”