Column

Het vrouwenkalifaat

De vrouw van de Syrische leraar mist haar vriendinnen. „We spraken altijd af bij een espressobar.” Ze laat me een foto zien van haar moeder en haar vier zussen om een tafel. Iedereen draagt een elegant omgeslagen hoofddoek in een pasteltint. Iedereen lacht, behalve zij. „Hier wist ik al dat we zouden vluchten.”

Vrouwen onder elkaar – „gezellig”, zegt ze in het Nederlands. Maar ze schetst ook een minder gezellige kant van de positie van vrouwen in haar land. „Mannen hebben het voor het kiezen en voor het zeggen”, zegt ze.

De meeste getrouwde vrouwen mogen niet werken. Nu in oorlogstijd veel mannen werkloos zijn, verlaten huisvrouwen soms stiekem hun woning om geld te verdienen. „Zij die dat niet doen, spreken kwaad over de werkende vrouwen en over vrouwen zonder hoofddoek. Dat zijn hoeren.” Het is universeel: vrouwen oordelen het hardst over elkaar.

De vrouw van de leraar is alawiet, een vrij liberale stroming binnen de islam en een minderheid in Syrië. De vrouwen hoeven geen hoofddoek te dragen en ook niet naar de moskee, dat zijn sunnitische gebruiken. Toch nemen de familieleden van de vrouw van de leraar die gebruiken nauwgezet in acht. „De sociale druk van de sunnitische meerderheid is zo groot”, zegt ze. „Alawieten doen stilletjes alsof ze sunnieten zijn. En niemand, ook niet vriendinnen onder elkaar, heeft het over zijn geloof.” Dat de impopulaire president Assad een van hen is, maakt het niet gemakkelijker.

Ik denk aan mijn onbevangen dochters en hun vrije leven – dat zou je iedere vrouw ter wereld toewensen.

De vrouw van de leraar snapt niet dat Nederlandse meisjes, zo’n zestig tot nu toe, vrijwillig naar het kalifaat emigreren. „Om zich aan de mannen te onderwerpen?”, vraagt ze geïrriteerd.

De gemeente Den Haag hield vorig jaar tien minderjarige meisjes met zulke plannen tegen. De ambtenaren die ik erover spreek laten me reclameboodschappen zien in IS-propagandamateriaal waarin de vrouw wordt afgeschilderd als „hoeksteen van de samenleving” en op handen wordt gedragen als een prinses uit Duizend-en-een-nacht.

Het laatste nummer van het ledenblad Dabiq belooft de weduwen van zelfmoordterroristen: „Na de rouw mag zij weer met saffraan geverfde kleding dragen, zich met juwelen behangen, zich met parfum besprenkelen, haar ogen met kohlpotlood omtrekken.”

Beïnvloedbare meisjes, zeggen de ambtenaren, trappen daarin. Maar als radicale islamieten hen kunnen beïnvloeden, redeneren ze, kunnen vrijzinnige Nederlanders hen ook weerbaar maken.

De vrouw van de leraar heeft twee maanden geleden, na aankomst in Nederland, haar hoofddoek afgelegd. Haar vader heeft ze het niet durven vertellen, haar moeder en haar zusters wel.

Volgende week krijgt ze haar eerste Nederlandse les.