Geweld achter de voordeur? Toch op de wachtlijst

Veilig Thuis, meldpunt voor geweld achter de voordeur, is overbelast. Minder personeel, meer meldingen. Het gevolg: wachtlijsten. „Dit moet je als samenleving niet willen.”

Zaak één: een zeventienjarige, thuiswonende jongen gedraagt zich steeds agressiever tegenover zijn moeder. Laatst trapte hij de deur in. Moeder is wanhopig. Zaak twee: een meisje – brugklasser, bleek, mager – spijbelt al een tijdje. De school doet navraag bij haar alleenstaande moeder. Die wil er niet over praten, ook niet met de jeugdarts. Zaak drie: vader mishandelt moeder, hun kind is er getuige van. Vader zit nu in de gevangenis.

Alle deze zaken komen uit de praktijk en zijn ernstig genoeg voor grondig onderzoek door Veilig Thuis, het meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Vinden bestuurders van Veilig Thuis zelf. Maar tot onderzoek komt het niet meteen. Dit soort zaken belandt eerst op een wachtlijst. In de ene regio bedraagt de wachttijd twee weken, in de andere drie maanden. Dan pas volgt het onderzoek naar wat zich achter de voordeuren afspeelt.

Veilig Thuis – waarin per 1 januari 2015 het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en het Steunpunt Huiselijk Geweld opgingen – is overbelast. Dat constateerde de Inspectie Jeugdzorg eind vorig jaar al na bezoeken aan een deel van de Veilig Thuis-organisaties. Staatssecretaris Van Rijn (VWS, PvdA) stuurt de eindrapportage over het inspectiebezoek aan alle 26 vestigingen deze week naar de Kamer.

Een rondvraag door NRC leert dat ruim driekwart van de vestigingen van Veilig Thuis nog steeds kampt met wachtlijsten. Veilig Thuis Brabant-Noordoost: 20 zaken. Zuid-Limburg: 49 zaken. IJsselland: 60 zaken. Rotterdam-Rijnmond: 100 zaken. In Hollands-Midden (regio Leiden, Alphen aan den Rijn) staan 104 zaken in de wacht. De oudste melding dateert er van half december.

Deze realiteit is de bestuurders van Veilig Thuis een doorn in het oog. „Een wachtlijst is niet acceptabel”, zegt René Meuwissen, als directeur van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant eindverantwoordelijk voor Veilig Thuis Brabant-Noordoost. „Het gaat hier om de veiligheid van kinderen en volwassenen. Wachtlijsten moet je als samenleving niet willen.”

Voor de duidelijkheid: zaken belanden nooit ongezien op de wachtlijst. Elke melding die binnenkomt – via politie, dokter, school of buren – wordt door Veilig Thuis gewogen. Op de meest acute zaken volgt meteen actie. Bijvoorbeeld als de pleger nog steeds toegang heeft tot het slachtoffer, als sprake is van ernstig lichamelijk of geestelijk geweld of van suïcidegevaar. Veilig Thuis neemt dan contact op met bijvoorbeeld politie, Openbaar Ministerie, gemeente en Raad voor de Kinderbescherming. Om te kijken of een huisverbod mogelijk is, of een ondertoezichtstelling.

Zaken die níét acuut zijn, niet levensbedreigend – dáár zit de flessenhals. Bij 20 van de 26 vestigingen van Veilig Thuis komen zaken op een wachtlijst. Meuwissen van Veilig Thuis Brabant-Noordoost (20 zaken op de wachtlijst) en directeur Gerrianne Rozema van Veilig Thuis Midden-Brabant (30 wachtende zaken) lichten toe hoe zij tot hun besluit komen.

De casus in Brabant-Noordoost van het spijbelende brugklasmeisje? Komt op de wachtlijst omdat school en arts geen signalen geven van acuut geweld, zegt Meuwissen. Het kind dat ziet hoe vader moeder mishandelt, en waarbij vader nu in de gevangenis zit? Wachtlijst, want de pleger heeft tijdelijk geen toegang tot het slachtoffer. De zaak van de zeventienjarige, steeds agressievere jongen die de deur heeft ingetrapt bij zijn wanhopige moeder? Rozema: „Al is er sprake van geweld, het is niet gisteren ontstaan. Fijn is het niet, maar zo’n zaak kan een week wachten.”

Zoon is agressief

Een nog groter dilemma, zegt Rozema, zou de zaak zijn die zij een paar jaar geleden, vóór de fusie tot Veilig Thuis, zag binnenkomen op het Steunpunt Huiselijk Geweld. Van een bejaarde vrouw en haar inwonende zoon van in de veertig. Thuiszorg meldde: zoon is agressief en mogelijk alcoholverslaafd. De bejaarde moeder had blauwe plekken. Stel, die zaak had nu gespeeld, met deze wachtlijst. Wat had Rozema besloten?

„Liever niet op de wachtlijst”, zegt ze. Maar mogelijk wel? „Dit zijn de gruwelijke dilemma’s waar je je als Veilig Thuis niet voor geplaatst wil zien. Maar deze man woonde al enige jaren bij zijn moeder. Als we dan moeten kiezen tussen deze zaak en een melding van escalerend geweld waar een kind bij is betrokken, dan krijgt de laatste zaak voorrang.”

Van geen van de 26 Veilig Thuis-organisaties is bekend dat een zaak op de wachtlijst is geëscaleerd. De vestigingen van Veilig Thuis controleren periodiek hoe het met een wachtende zaak staat, in een poging het zicht erop niet te verliezen. Maar geweldszaken kunnen grillig zijn. Een afgekickte alcoholverslaafde grijpt weer naar de fles, en de problemen voor zijn huisgenoten beginnen van voren af aan. „Een wachtlijst blijft riskant”, zegt Rozema. „Je weegt een zaak immers op papier. Een werkelijke inschatting van veiligheid kan alleen door fysieke benadering.” Rozema spreekt van een „ongewenst afbreukrisico”, vooral voor de betrokkenen zelf. „Wachtlijsten zijn taboe voor Veilig Thuis.”

Teruglopende zorgbudgetten

Vóór de fusie van 2015 kwamen wachtlijsten bij het meldpunt voor kindermishandeling incidenteel voor. Bij het Steunpunt Huiselijk Geweld niet. Nu liggen de zaken anders. Veilig Thuis heeft een krappe formatie. De vestigingen krijgen hun geld van gemeenten, en die kampen met dalende zorgbudgetten. Zo bezuinigt het kabinet dit jaar 185 miljoen euro – 5 procent – op het budget voor jeugdzorg. Volgend jaar gaat daar nog eens 85 miljoen van af, en veel vestigingen van Veilig Thuis hebben al medewerkers moeten ontslaan.

Het aantal meldingen van geweld is juist toegenomen. Een overheidscampagne om vooral te bellen bij vermoedens van geweld slaat aan. Ook geldt sinds 2013 een meldcode die beroepsgroepen als docenten en crècheleidsters aanspoort om vermoedens van geweld te melden.

Meer meldingen, minder personeel: dat vraagt om een organisatie in topvorm. Daarvan is geen sprake. Veilig Thuis is een samengaan, veertien maanden pas, van twee zeer verschillende organisaties. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling was vooral ingesteld op het doen van onderzoek, het Steunpunt Huiselijk Geweld op het verlenen of regelen van hulp. Nu moeten alle medewerkers beide kunnen. Bijscholen is broodnodig. En dat kost tijd.

Veilig Thuis is zichzelf aan het uitvinden. Het lastige is: dat geldt ook voor de wijkteams die in theorie een deel van het werk van Veilig Thuis zouden moeten overnemen. Teams, bemenst met maatschappelijk werkers, schuldhulpverleners en verpleegkundigen, die de lichtere, afgehandelde zaken van Veilig Thuis op zich nemen. Zorg dichtbij de burger, het ideaal van de decentralisatie van de zorg.

In werkelijkheid laat de deskundigheid van die teams inzake mishandeling vaak te wensen over, zeggen directeuren van Veilig Thuis. Wijkteams hangen geregeld aan de lijn bij Veilig Thuis – „klopt onze aanpak voor dit gezin zo?” – en ook dat kost tijd.

Staatssecretaris Van Rijn noemt de wachtlijsten in een reactie „onaanvaardbaar”. Noem het onaanvaardbaar, noem het taboe, maar het einde van de wachtlijsten is nog niet in zicht.