Drugs, overspel, moord en Scrabble

Soms is de lijn tussen feit en fictie dun: in zijn nieuwe roman is Arjan Visser journalist én romancier. Ook het sprookje van de Israëlische Ayelet Gundar-Goshe is realistisch. Knausgård focust op een andere dunne lijn: die van het voetbalveld.

De vijfde roman van Arjan Visser is een typische schrijversroman. De hoofdpersoon van God sta me bij want ik ben onschuldig heet Arjan Visser. Hij vertelt dat hij eerst een heel ander boek in zijn hoofd had, over zes bejaarde broers die één voor één moesten sterven. Maar dat plan wordt ruw doorkruist als hij te maken krijgt met problemen in zijn eigen familie.

Het begint ermee dat zus Alice in een Spaanse gevangenis belandt, nadat zij, iets te lichtzinnig, in marihuana is gaan handelen. Deze zus, zo wordt snel duidelijk, werkt zich wel vaker in de nesten. Het lijkt een familietrek die ze van haar overleden vader heeft geërfd. Arjan Visser zoekt voor een verklaring in zijn Brabantse jeugd, waarin Spanje ook al een rol speelde. Vader Visser had er, als sinaasappelimporteur, allerlei connecties en de zomerweken bracht het gezin door in Playa de Gandía. Dan herinnert Arjan zich ook weer de moord op Fina, een jonge Spaanse vrouw, met wie de Vissers bevriend waren. Waarom werd er in het gezin nooit gepraat over het droeve lot van Fina? Had vader Visser soms een verhouding met haar? Was hij misschien zelfs de vader van haar kind?

Arjan Visser aarzelt of hij wel moet schrijven over zulke delicate zaken als gevangenisstraf en overspel. De vuile was komt dan wel erg buiten te hangen. Maar hij voelt ook dat hij deze stof niet kan laten liggen. Zijn vader en zijn zus zijn niet alleen familie, ‘maar ook personages voor een goed verhaal’.

De vraag is natuurlijk hoe goed dat verhaal is. En dan blijkt dat lang niet alle details over de marihuanakwestie en lang niet alle naspeuringen over de moord op Fina even boeiend zijn. De journalist Visser, die moeilijk afstand kan doen van zijn vondsten, en de romancier Visser die de verhaallijn moet bewaken, zitten elkaar geregeld in de weg.

Verder is de uitkomst van het speurwerk behoorlijk schraal. De waarheid blijft in het midden. ‘Wat mijn vader betrof was ik niet verder dan een verdenking gekomen’, lezen we in een van de laatste episodes van het boek. Eigenlijk komt dat neer op een volledige rehabilitatie van vader Visser over wie we tussen de regels door al konden lezen dat hij ‘in wezen’ een goed mens was. Zakelijk schoot hij te kort, maar met zijn vlotte babbel en zijn charme wond hij iedereen om zijn vinger.

Dat straalt ook weer af op zoonlief. Moeder Visser stelt tijdens een potje scrabble tevreden vast dat Arjan ‘ondanks alles op zijn vader lijkt’.