Column

Big Buurman is watching you

Buurtpreventieteams zijn de laatste vijf jaar in opkomst, zo blijkt uit Rotterdams sociologisch onderzoek. Betrokken burgers organiseren ogen en oren in de buurt om verdachte personen en gebeurtenissen snel te kunnen melden. Eerst aan elkaar, en als het ernst is aan de politie. Dat is natuurlijk mooi zolang het communicatie is, geen eigenrichting en vooral: niet verplicht.

Het past in een trend die breder is en ook al wat ouder. In 2014 inventariseerden de criminologen Van der Land, Stokkom en Boutellier in Burger in Veiligheid deze toenadering tussen burger en overheid. Rond de eeuwwisseling waren er talrijke locale ‘schoon-heel-veilig’ initiatieven in probleemwijken, die zich richtten op verbetering van de openbare ruimte. Ook initiatieven met positieve rolmodellen als ‘buurtvaders’, ‘politiekids’ (zeventien steden), sociale netwerken als nextdoor.nl, Burgerpanel (Venray), Buurt Bestuurt (Rotterdam) en zelfs locale conflictbemiddeling (Rotterdam, Arnhem) laten zien dat de participatiemaatschappij die dit kabinet wenst, al een poosje in aanbouw is. Met dank aan de digitale stuwkracht van de sociale media groeit een netwerkmaatschappij met nieuwe kansen via laagdrempelige communicatie. In de vorm van buurtpreventieteams is dat positief te waarderen, zo concludeerden ook de criminologen, waarbij de ‘bijvangst’ van dergelijke initiatieven misschien wel belangrijker is dan het hoofddoel, criminaliteit bestrijden. Die bijvangst zit dan in betere locale sociale samenhang, een groter collectief veiligheidsgevoel, beter contact met de overheid en dus hogere meldbereidheid en snellere acceptatie van nieuw beleid.

Negatieve effecten zijn er ook: burgers in reflecterende hesjes en borden ‘Buurtpreventie’ kunnen de verkeerde indruk wekken. Namelijk dat dit een erg riskant gebied is, waar de bevolking reden heeft zich onveilig te voelen. Buurtwachten blijken ook niet altijd representatief te zijn voor de eigen buurt, in houding of motivatie. Overreactie dreigt. Verder verhogen buurtwachten als vanzelf de sociale controle, om te beginnen op de eigen bewoners. Ook úw komen en gaan wordt onontkoombaar onderwerp van inspectie – al was het maar om te bepalen wat ‘normaal en gebruikelijk’ is. Buitenstaanders worden snel beoordeeld op de mate waarin ze ‘iets te zoeken’ hebben in de buurt. Dat geeft onvrijheid en naar dat type dorpsleven ziet niet iedere moderne burger uit.

De overheid doet er goed aan dergelijk burgerinitiatieven met enige reserve te stimuleren, ervan te profiteren en er tegelijk een coachende rol bij te vervullen. Iedere surveillance, vooral die door leken, moet proportioneel zijn en bij voorkeur terughoudend.